ECLI:NL:RBDHA:2026:17798

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL25.40036
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 30b VwArt. 62 VwArt. 66a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Jezidi uit Irak wegens onvoldoende geloofwaardige vervolgingsdreiging en humanitaire omstandigheden

Eiser, een Jezidi uit Irak, diende op 12 augustus 2023 een asielaanvraag in in Nederland. Hij stelde dat hij vanwege zijn etniciteit en problemen met de Koerdische veiligheidsdienst (PKK, Peshmerga) gevaar liep. Zijn huis zou in maart 2022 zijn beschoten en hij werd bedreigd. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, onder meer omdat eiser zijn paspoort had vernietigd en zich pas acht maanden na binnenkomst meldde.

De rechtbank oordeelde dat de discriminatie die eiser ervoer wel geloofwaardig was, maar niet zodanig ernstig dat sprake was van vervolging. De problemen met de Koerdische veiligheidsdienst werden als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege gebrek aan samenhang en concrete aanwijzingen. Ook de aanwezigheid van eiser op een festival en het ontbreken van nadere toelichting op documenten die hij moest ondertekenen, ondermijnden zijn geloofwaardigheid.

Verder werd geoordeeld dat de humanitaire situatie in Sinjar weliswaar zorgelijk is, maar dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk niet kan terugkeren naar zijn woning of dat hij aangewezen is op ontheemdenkampen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het inreisverbod gehandhaafd. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het inreisverbod gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40036

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1991 en de Iraakse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 12 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Jezidi is. Hij heeft in Irak problemen ervaren wegens zijn Jezidische afkomst en met de Koerdische veiligheidsdienst. Zijn huis is beschoten in maart 2022 door de PKK en hij is bedreigd door de Koerdische veiligheidsdienst. Dit omdat hij zich heeft uitgelaten over het Koerdisch beleid in zijn leefomgeving en de leefomstandigheden van de Jezidi's. Hij heeft namelijk met twee vrouwen gesproken die hem mogelijk aan werk konden helpen en daarna werd hij gebeld door de Koerdische politie dat hij zich moest melden op het bureau. Naderhand is hij nog gebeld door een onbekend persoon die hem uitschold, bedreigde en belachelijk maakte. Eiser heeft Irak verlaten met een Litouws studie visum. Bij terugkeer naar Irak vreest eiser voor de Koerdische veiligheidsdienst, de Peshmerga, de PKK en de moslimgemeenschap.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. [1] Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook de discriminatie die eiser heeft ervaren vanwege zijn Jezidi etniciteit is geloofwaardig. De discriminatie levert echter geen gegronde vrees voor vervolging op, omdat niet aannemelijk is dat eiser hierdoor zo ernstig was beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Hij heeft immers verklaard dat hij ondanks zijn religie en etniciteit altijd in zijn basisbehoeften heeft kunnen voorzien in Irak. De problemen met de Koerdische veiligheidsdienst zijn ongeloofwaardig. Ook heeft eiser onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Irak. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser zijn paspoort heeft vernietigd en zich niet onverwijld heeft gemeld om zijn asielaanvraag in te dienen.
3. Eiser stelt in beroep dat zijn asielaanvraag is ten onrechte afgedaan als kennelijk ongegrond. De WI [2] 2024/6 houdt een verzwaarde bewijslast in wegens de veronderstelling dat asielmotieven volledig met bewijsstukken kunnen worden onderbouwd. Aan eiser moet het voordeel van de twijfel worden gegeven. [3] Wat betreft de geloofwaardigheidsbeoordeling stelt eiser dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn verklaringen omtrent het schietincident van maart 2022 onsamenhangend zijn. Verweerder miskent dat eiser het niet hoeft te bewijzen, maar aannemelijk dient te maken. Uit zijn overige verklaringen, die niet tegenstrijdig zijn bevonden en gedetailleerd zijn, blijkt voldoende dat er een duidelijke link te leggen is tussen zijn negatieve uitingen en het schietincident. Deze verklaringen komen overeen met landeninformatie waaruit blijkt dat Jezidi zich niet kunnen uitspreken tegen Koerden, de islam of de Iraakse regering. Ten aanzien van de tegenwerping omtrent zijn aanwezigheid op het festival stelt eiser dat dit geen publiekelijk openbaar feest is. Hij is dan ook niet in het openbaar verschenen. Eiser heeft niet verklaard dat hij nooit buiten kwam, wel dat hij angst had om naar buiten te gaan. Door het tegenwerpen dat het niet logisch is dat hij niets kan verklaren over de documenten die hij heeft moeten ondertekenen op het bureau van de Koerdische veiligheidsdienst, miskent verweerder dat eiser als Jezidi onderdrukt wordt. Verweerder gaat uit van een westers stereotype waar sprake is van een rechtsstaat. Eiser meent verder dat tijdens het nader gehoor vragen gesteld hadden moeten worden over wie de vrouwen zijn tegen wie eiser zich heeft geuit en hoe hun situatie betrekking heeft op die van eiser. Het kan hem nu niet tegengeworpen worden. Verder is zijn verklaring over dat de Koerdische veiligheidsdienst hem niet meer met rust zou laten niet tegenstrijdig. Het is een feitelijk antwoord op de vraag wat hij verwacht bij terugkeer naar Irak.
4. De motieven die wel geloofwaardig zijn geacht heeft verweerder volgens eiser ten onrechte onvoldoende zwaarwegend geacht. Eiser verwijst daartoe naar landeninformatie brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 20 augustus 2025 over de positie van Jezidi in Irak. Daarin komt een beeld naar voren van structurele discriminatie, onveiligheid, trauma en marginalisatie van Jezidi’s, ondanks wettelijke rechten en beperkte overheidsinitiatieven. Verder stelt eiser onder verwijzing naar landeninformatie brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 22 augustus 2025 dat de humanitaire omstandigheden en veiligheidssituatie in Sinjar zeer complex en fragiel zijn. In de aanvullende gronden heeft eiser nadere landeninformatie [4] overgelegd en gewezen op het thematisch ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 7 november 2025 over de ontheemdenkampen en Jezidi in Irak. De PKK heeft in mei 2025 dan wel aangekondigd zichzelf te ontbinden maar er blijven veel gewapende groepen actief. Voor Jezidi’s zijn terugkeer en herintegratie bemoeilijkt door een gebrek aan veiligheid, verwoeste infrastructuur, minimale voorzieningen, geen uitbetaalde compensatie en voortdurende trauma’s. Eiser meent dat verweerder onvoldoende rekening houdt met zijn individuele omstandigheden. Hij behoort tot een kwetsbare minderheid die gediscrimineerd wordt. Tot slot stelt eiser, kort weergegeven, dat zijn asielaanvraag ten onrechte is afgedaan als kennelijk ongegrond en dat het inreisverbod ten onrechte is opgelegd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
WI 2024/6
5. Dat de WI 2024/6 een verzwaarde bewijslast inhoudt, volgt de rechtbank niet. Het is niet onredelijk dat verweerder eerst heeft beoordeeld of eiser objectieve documenten heeft ingediend ter staving van zijn asielaanvraag. [5] De vaststelling dat eiser geen objectieve documenten heeft overgelegd, zoals volgt uit stap 2a van deze WI, betekent niet dat het asielmotief per definitie ook ongeloofwaardig wordt geacht. In de WI 2024/6 staat immers dat verweerder met stap 2b rekening houdt met de omstandigheid dat van de vreemdeling doorgaans niet verwacht kan worden dat hij zijn relaas volledig met bewijsmateriaal staaft. Ook uit het bestreden besluit volgen geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder het asielmotief op voorhand ongeloofwaardig vindt wegens het gebrek aan objectieve documenten. Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser heeft beoordeeld en deze verklaringen ongeloofwaardig vindt, omdat ze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder stelt zich voorts in het verweerschrift terecht op het standpunt dat niet valt in te zien welk nader onderzoek hij had moeten doen, omdat in stap 2b een algehele geloofwaardigheidsbeoordeling plaatsvindt. Verweerder was niet gehouden om te motiveren of eiser het voordeel van de twijfel moest worden gegund, aangezien dit pas aan de orde is indien wordt voldaan aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Ten aanzien van eisers verwijzing naar de prejudiciële vragen van zittingsplaats Roermond geldt dat het aan eiser is om toe te lichten hoe die vragen de onderhavige zaak raken. Dit heeft eiser nagelaten. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.
Problemen met Koerdische veiligheidsdienst
6. Verweerder heeft de door eiser gestelde problemen met de Koerdische veiligheidsdienst niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Daaraan heeft hij ten grondslag kunnen leggen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid en onder c, van de Vw. Verweerder heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat niet aannemelijk is dat zijn huis is beschoten door de PKK in maart 2022. Uit zijn verklaringen blijkt niet van concrete aanwijzingen dat de beschieting op eiser persoonlijk gericht was. Dit baseert eiser enkel op vermoedens en aannames. Eiser wijst er terecht op dat het niet aan hem is om zijn asielmotieven te bewijzen, maar dat hij zijn relaas aannemelijk dient te maken. Dat uit landeninformatie blijkt dat Jezidi zich niet kunnen uitspreken tegen Koerden, de islam of de Iraakse regering, maakt echter niet direct aannemelijk dat de PKK op zijn huis heeft geschoten omdat hij zich zogezegd negatief heeft geuit over de slechte leefomstandigheden van Jezidi’s en over de PKK.
7. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eisers aanwezigheid tijdens het festival afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn relaas. Hij heeft immers verklaard dat hij niet naar buiten durfde en bang was persoonlijk gevolgd te worden door de PKK. Indien eiser zodanig stelt te vrezen, valt niet in te zien dat hij op een welbekende feestdag voor Jezidi naar een bijeenkomst is gegaan. Dat dit geen publiekelijk openbaar festival zou zijn doet hier niet aan af. Ook valt niet in te zien dat eiser de vrees had persoonlijk te worden gevolgd door de PKK, maar dat hij zich vervolgens negatief heeft uitgelaten tegenover twee vrouwen die relatief onbekend voor hem waren. Verweerder heeft hier dan ook niet ten onrechte over overwogen dat deze ongerijmde verklaringen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid.
8. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat het tegenstrijdig is dat eiser heeft verklaard dat de Koerdische veiligheidsdienst hem nooit met rust zou laten, maar dat geenszins is gebleken dat hij nog problemen heeft ervaren met of door hen. Eiser heeft verklaard dat hij, nadat hij is ondervraagd, gebeld werd en tijdens dit gesprek werd uitgescholden, bedreigd en belachelijk gemaakt. Hij weet niet wie hem heeft gebeld. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat eiser nadat hij zich heeft gemeld op het bureau ooit nog benaderd is door de politie of de Koerdische veiligheidsdienst.
9. De rechtbank is wel van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft erkend dat eiser heeft verklaard echt niet te durven lezen wat er op de documenten stond die hij moest ondertekenen van de Koerdische veiligheidsdienst. Gelet op wat eiser heeft verklaard en de bij verweerder bekende landeninformatie kan niet van eiser worden verwacht dat hij de documenten die hij moest ondertekenen zorgvuldig heeft kunnen lezen, te meer nu hij heeft verklaard onder druk te hebben gestaan. Dat het niet logisch is dat eiser niet kan verklaren over de documenten die hij heeft moeten ondertekenen en dat hij daarom onsamenhangend heeft verklaard over de reden waarom hij zich moest melden op het bureau, kan eiser dan ook niet worden tegengeworpen. Dit laat echter onverlet dat verweerder gelet op de overige tegenwerpingen heeft kunnen concluderen dat het asielmotief van eiser ongeloofwaardig is.
Discriminatie als Jezidi
10. De rechtbank stelt voorop dat Jezidi in het landenbeleid Irak niet langer als een kwetsbare minderheidsgroep worden aangewezen. Verweerder heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser in Irak weliswaar discriminatie ervaart, maar dat de ernst van de door hem ondervonden discriminatie niet zodanig is dat sprake is van discriminatie als daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft daarbij terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de discriminatie dusdanig ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheid heeft opgeleverd dat het voor hem onmogelijk is geweest om op maatschappelijk en sociaal gebied in Irak te kunnen functioneren. [6] Eiser heeft immers kunnen werken als tolk, al dan niet op stabiele basis. [7] Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt dat het in het algemeen voor Jezidi’s moeilijk is om werk te vinden, en dat door vooroordelen tegen Jezidi’s en de concurrentie voor simpele banen werkgevers vaker voor Syrische Koerden kiezen. [8] Echter is niet gebleken dat het voor alle Jezidi’s per definitie onmogelijk is om werk te vinden. Dit duidt erop dat het niet onmogelijk is voor eiser om weer aan werk te komen bij terugkeer naar Irak. Ook is uit de verklaringen van eiser niet gebleken dat hij vanwege zijn etniciteit geen toegang heeft tot medische zorg. Zo heeft eiser verklaard dat hij in het verleden toegang had tot medische zorg. [9] Eiser heeft dan wel verklaard dat het moeizaam gaat en de beschikbare zorg onvoldoende zou zijn, maar dat zou erin gelegen zijn dat de arbeidsmarkt en gezondheidszorg in zijn algemeenheid niet goed is in Sinjar, niet in het zijn van Jezidi. Hoewel uit de door eiser ingebrachte informatie in zijn algemeenheid blijkt van moeilijkheden voor de Jezidi-bevolking in Irak, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk zwaarwegende problemen heeft ondervonden wegens zijn etniciteit.
Humanitaire situatie in ontheemdenkampen
11. De rechtbank ziet dat in het algemeen ambtsbericht Irak van november 2023 en thematisch ambtsbericht Irak van november 2025 een zeer zorgelijk beeld naar voren komt over de humanitaire situatie in de ontheemdenkampen in het noorden van Irak. Wat eiser echter heeft aangevoerd over de humanitaire omstandigheden in de ontheemdenkampen is niet van toepassing, gezien eiser een huis heeft in Sinjar. Voor zover eiser meent te stellen dat hij niet kan terugkeren naar zijn woning, geldt dat niet aannemelijk gemaakt is dat zijn huis is verwoest of in beslag genomen. Het is dan ook niet aangetoond dat eiser bij terugkeer naar Irak aangewezen is op een ontheemdenkamp. Het thematisch ambtsbericht gaat, in tegenstelling tot wat eiser stelt, niet in op de algemene veiligheidssituatie voor Jezidi’s in Sinjar. Het thematisch ambtsbericht beschrijft enkel de situatie in de ontheemdenkampen in het noorden van Irak. Ook de aangehaalde landeninformatie die hierop ziet is niet van belang in het geval van eiser.
Humanitaire omstandigheden in Sinjar
12. Wat betreft de algemene humanitaire situatie in Sinjar heeft verweerder in het verweerschrift voldoende gemotiveerd uiteengezet dat, hoewel de algemene situatie in Sinjar zorgelijk is en de omstandigheden zwaar zijn, niet is gebleken dat eiser wegens humanitaire omstandigheden niet kan terugkeren. Zo blijkt uit het Sinjar plan of action 2021 – 2024 dat de inwoners van Sinjar gemiddeld 10 à 12 uur toegang hebben tot elektriciteit en dit indien nodig aanvullen met generatoren. [10] Uit het Sinjar Urban Profile van UN Habitat blijkt dat er in Ganazor, het dorp waar eiser zijn huis heeft staan, een health center operatief is en dat het grotere ziekenhuis in Sinuni ook weer operationeel is. [11] Ook zijn er weer enkele winkels geopend om boodschappen, kleding of basis constructie materialen te kopen. [12] Er bevinden zich tien waterputten in Sinuni en tien in Ganazor, hoewel die in Ganazor herstelwerkzaamheden nodig hebben die nog niet begonnen zijn vanwege de aanwezigheid van strijdkrachten die het gebied controleren. [13] Hoewel de power station in Ganazor niet werkt, heeft The Electricity Dictorate in Al-Shemal de installatie van een mobiel station in Ganazor en de aanleg van een 33 Kv-voedingsleiding, met een lengte van ongeveer 30 km, als prioriteit aangemerkt, omdat het grote aantal terugkeerders en de aanwezigheid van intern ontheemden een zware belasting van het bestaande netwerk veroorzaken. [14] Daarnaast blijkt uit informatie van Nadia’s Initiative dat er inmiddels in 22 dorpjes in Sinjar succesvol schoon water is hersteld. In Ganazor heeft Nadia’s Initiative ervoor gezorgd dat Al Taamim School for girls toegang heeft tot schoon water, sanitaire voorzieningen en handwasstations. [15] Uit verschillende landeninformatie blijkt dan ook dat er wel degelijk toegang is tot infrastructuur, water, elektriciteit, werkgelegenheid, onderwijs en medische zorg in Sinjar.
13. Voor zover eiser stelt risico te lopen wegens gewapende groeperingen die actief zijn in Sinjar, geldt dat uit paragraaf C7/16.4.2 van de Vc [16] volgt dat er in de regio Sinjar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dit maakt dat eiser op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en dat juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt. Eiser is hierin, gelet op wat eerder is overwogen, niet geslaagd.
Kennelijke afdoening
14. Niet in geschil is dat eiser zijn paspoort heeft vernietigd. Hoewel eiser stelt dat hij dit heeft gedaan uit angst om teruggestuurd te worden naar Irak, neemt dit niet weg dat eiser de verantwoordelijkheid draagt voor zijn eigen handelen. Niet is gebleken dat hij onder enige vorm van directe of indirecte dwang is gebracht tot het vernietigen van zijn paspoort. Het is dan ook een bewuste keuze van eiser zelf geweest. Dat de identiteit van eiser geloofwaardig wordt geacht en met andersoortige documenten vastgesteld kon worden doet hier niet aan af. Verder is eiser op 2 januari 2023 Nederland ingereisd met een Litouws visum. Hij heeft echter pas op 12 augustus 2023 asiel aangevraagd. Bij een oprechte dringende behoefte aan bescherming mag van eiser worden verwacht dat hij direct een asielaanvraag indient. De stelling van eiser dat hij vreesde voor een overdracht aan Litouwen is geen verschoonbare reden voor een dergelijke termijnoverschrijding. Verweerder heeft de asielaanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d en h, van de Vw, nu eiser zijn paspoort opzettelijk heeft vernietigd en zich zonder gegronde reden pas acht maanden na binnenkomst in Nederland heeft gemeld voor asiel.
Inreisverbod
15. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, een vertrektermijn aan eiser kunnen onthouden [17] en terecht aan eiser een inreisverbod opgelegd. [18] Dat eisers belang bij het recht op bewegingsvrijheid en om zijn familie te kunnen bezoeken in Duitsland zwaarder weegt dan het belang van de Nederlandse Staat is door hem niet nader onderbouwd en leidt reeds daarom niet tot een ander oordeel.
Conclusie
16. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juni 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) juncto artikel 30b, eerste lid, onder d en h, van de Vw.
2.Werkinstructie.
3.Eiser verwijst hierbij naar de prejudiciële vragen die door zittingsplaats Roermond zijn gesteld in de zaken met het kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2025:139 en ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en een uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, J.K. van 4 juni 2015, nr. 59166/12, ECLI:CE:ECHR:2016:0823JUD005916612 (J.K. e.a. t. Zweden).
4.Eiser verwijst naar informatie van Country Focus van de EUAA van oktober 2025, een update van het IOM over interne ontheemden van 12 oktober 2025 en een rapport van CGVS-Cedoca van 25 augustus 2025.
5.Zie hiervoor bijvoorbeeld de zaak met het kenmerk ECLI:NL:RBDHA:2024:21853 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/) en ECLI:NL:RBDHA:2025:3340.
6.Zoals bedoeld in paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
7.Pagina 17 van het rapport nader gehoor van 7 maart 2025.
8.Zie de correspondentie van Vluchtelingenwerk met expert [persoon] over de situatie voor ontheemde Jezidi’s van 5 augustus 2024.
9.Pagina 17 van het rapport nader gehoor van 7 maart 2025.
10.Pagina 30.
11.Pagina 43.
12.Pagina 45.
13.Pagina 51.
14.Pagina 53.
15.Nadia's Initiative Successfully Restores Clean Water in 22 Villages in Sinjar — Nadia's
16.Vreemdelingencirculaire 2000.
17.Op grond van artikel 62, tweede lid, onder b, van de Vw.
18.Op grond van artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw.