ECLI:NL:RBDHA:2026:17802

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL26.24658
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.3 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen ophouding vreemdeling op grond van artikel 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000 afgewezen

Eiser maakte bezwaar tegen zijn ophouding op 22 maart 2026, die plaatsvond na een strafrechtelijke heenzending, omdat hij meende dat de ophouding geen legitiem doel diende en dat het proces-verbaal van ophouding onrechtmatig was vanwege het ontbreken van het proces-verbaal van heenzending en de latere ondertekening van het M105-A formulier.

De rechtbank oordeelde dat de ophouding een legitiem doel had, namelijk het onderzoeken van de verblijfsrechtelijke positie van eiser, wat niet primair in het strafrechtelijke traject was vastgesteld. Het ontbreken van het proces-verbaal van heenzending was niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de vreemdelingrechtelijke ophouding, die op 22 maart 2026 om 12.55 uur begon.

Verder vond de rechtbank dat de latere ondertekening van het proces-verbaal van ophouding (M105-A) op 16 april 2026 niet leidde tot onrechtmatigheid, omdat het formulier een duidelijke feitelijke weergave gaf en eiser de inhoud niet betwistte.

Omdat geen van de beroepsgronden slaagde, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding op grond van artikel 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24658

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen zijn ophouding op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze ophouding is begonnen op 22 maart 2026 om 12.55 uur en geëindigd op 22 maart 2026 om 15.45 uur.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Doel van de ophouding
1. Eiser stelt dat zijn ophouding geen legitiem doel diende. Tijdens het voorgaande strafrechtelijke traject heeft eiser namelijk al alle informatie over zijn verblijfsrechtelijke positie verstrekt. Het was daarom niet meer nodig om eiser na zijn strafrechtelijke heenzending op te houden om onderzoek te doen naar zijn verblijfsrechtelijke positie, zo stelt eiser.
1.1.
De rechtbank overweegt dat eiser aansluitend op strafrechtelijke heenzending is overgenomen en opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, omdat zijn identiteit onmiddellijk kon worden vastgesteld, maar niet/niet onmiddellijk kon worden vastgesteld dat hij rechtmatig verblijf had. De ophouding diende er in dit geval dus toe om onderzoek te doen naar eisers verblijfsrechtelijke positie. De rechtbank volgt niet eisers stelling dat dit onderzoek onnodig was omdat dit reeds in het strafrechtelijke traject was verricht. Nog daargelaten dat het strafrechtelijke traject er niet (primair) op is gericht om de verblijfsrechtelijke positie van een vreemdeling vast te stellen, blijkt uit het dossier niet dat eisers verblijfsrechtelijke positie in het strafrechtelijke traject daadwerkelijk is onderzocht en vastgesteld. Bovendien geldt dat verweerder niet verplicht is om gegevens die zijn verkregen in het kader van het strafrechtelijke traject, in het vreemdelingrechtelijke vervolg als vaststaand te aanvaarden (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3719).
1.2.
Gelet op het voorgaande diende de ophouding wel een legitiem doel, namelijk het onderzoeken van de verblijfsrechtelijke positie. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreken proces-verbaal van heenzending
2. Eiser voert verder aan dat het proces-verbaal van heenzending in het dossier ontbreekt. Hierdoor kan volgens hem niet worden gecontroleerd of de in het proces-verbaal van ophouding en onderzoek (M105-A) vermelde tijdstippen juist zijn.
2.1.
De rechtbank overweegt dat in het proces-verbaal van ophouding en onderzoek is vermeld dat eiser op 22 maart 2026 om 12.55 uur aansluitend op strafrechtelijke heenzending is overgenomen en opgehouden. Hieruit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende op te maken op welke tijdstippen de beëindiging van het strafrechtelijke traject en de aanvang van de ophouding van eiser hebben plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen, mede omdat eiser niet heeft gesteld dat het proces-verbaal onjuist zou zijn. Bovendien geldt dat in deze procedure alleen de rechtmatigheid van het vreemdelingrechtelijke traject kan worden beoordeeld. Dat is aangevangen op 22 maart 2026 om 12.55 uur. Een eventuele onrechtmatigheid die zich voor dit tijdstip heeft voorgedaan valt onder het strafrechtelijke traject en dat kan in deze procedure niet worden beoordeeld.
2.2.
Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat in het dossier stukken ontbreken die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van onderhavige zaak. De beroepsgrond slaagt niet.
Latere ondertekening M105-A
3. Eiser stelt voorts dat het proces-verbaal van ophouding (M105-A) eerst op 16 april 2026 is opgemaakt en ondertekend. Dat is volgens eiser te laat en dat maakt de ophouding volgens hem onrechtmatig.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het later opmaken en ondertekenen van de M105-A, hoewel niet zonder meer gewenst, niet leidt tot een onrechtmatige ophouding. Uit artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt dat een bewaringsmaatregel pas rechtsgeldig tot stand komt als deze is gedagtekend, ondertekend, met redenen is omkleed en onmiddellijk wordt uitgereikt, maar een dergelijke bepaling ontbreekt voor een proces-verbaal van ophouding. Daarnaast geeft de M105-A een duidelijke feitelijke weergave van de gang van zaken (onder meer op welk tijdstip en waar eiser is opgehouden). Eiser heeft de inhoud van dit proces-verbaal verder ook niet betwist.
3.2.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de ophouding onrechtmatig is enkel vanwege de latere opmaking en ondertekening van het proces-verbaal daarvan. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Conclusie
4. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.