ECLI:NL:RBDHA:2026:17805

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
SGR 25/8090
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:1 AwbArt. 1:3 AwbArt. 8:83 AwbArt. 457 SvArt. 2.5 Procesreglement bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd inzake verzoek inzage strafdossier bij gerechtshof

Verzoeker heeft het gerechtshof verzocht om inzage en toezending van een afschrift van zijn strafdossier in een afgesloten strafzaak, met het oog op een herzieningsverzoek en een civiele procedure. Het gerechtshof heeft het dossier op DVD toegezonden, maar verzoeker wenst het dossier in een andere digitale vorm vanwege het ontbreken van passende apparatuur.

De voorzieningenrechter overweegt dat het gerechtshof een onafhankelijk rechtsprekend orgaan is en geen bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierdoor is het handelen van het gerechtshof geen besluit waartegen bezwaar of beroep bij de bestuursrechter openstaat. Verzoeker kan zich daarom alleen tot de burgerlijke rechter wenden.

De voorzieningenrechter verklaart zich daarom kennelijk onbevoegd om op het verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en het griffierecht wordt terugbetaald. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek om inzage en toezending van het strafdossier door het gerechtshof.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8090

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] ( [land] ), verzoeker

en

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, verweerder

(gemachtigde: mr. S.O. Visch).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is om op het verzoek te beslissen doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft verweerder verzocht om inzage en toezending van een afschrift van zijn strafdossier in een afgesloten strafzaak. [1] Verzoeker heeft toegelicht dat hij dit nodig heeft in verband met de voorbereiding van een verzoek om herziening van zijn veroordeling [2] en om te gebruiken in een op te starten civiele procedure. [3]
3. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter laten weten dat verweerder hem op 13 oktober 2025 inzage in zijn oude strafdossier heeft aangeboden. Op 14 november 2025 heeft verzoeker meegedeeld dat verweerder hem schriftelijk heeft toegezegd dat het strafrechtelijk dossier digitaal aan hem wordt verstrekt. Daarna heeft verweerder hem meegedeeld dat het dossier te groot was voor digitale verzending en dat het strafdossier hem daarom op DVD zal worden toegezonden. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker geen verstrekking van het strafdossier op een DVD wil, omdat hij niet over passende afspeelapparatuur beschikt. Verzoeker stelt dat het dossier in 2013-2015 illegaal en in zijn geheel openbaar op het internet stond. Zijn verzoek strekt ertoe dat hij het strafdossier, zoals dit op het internet stond, wil ontvangen in een andere digitale vorm dan op DVD.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bestuursrechtelijke voorzieningenrechter niet bevoegd is om over het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te oordelen, het handelen van verweerder kan namelijk niet bij de bestuursrechter ter discussie worden gesteld. Hij voert daartoe aan dat geen sprake is van een bestuursorgaan, omdat het Gerechtshof niet als zodanig kwalificeert. Er is dus ook geen sprake van een besluit in de zin van de Awb waartegen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat. Als verzoeker het niets eens is met de wijze waarop verweerder het verzoek heeft behandeld, dan staat daartegen alleen een rechtsgang bij de burgerlijke rechter open. [4] Wat verzoeker verder nog aanvoert, kan ook niet leiden tot toewijzing van het verzoek, aldus verweerder. [5]
5. De voorzieningenrechter overweegt dat het Gerechtshof een onafhankelijk, bij de wet ingesteld orgaan is dat met rechtspraak is belast, als bedoeld in artikel 1:1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb. Dit betekent dat het Gerechtshof geen bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. Als gevolg hiervan is een beslissing op het verzoek van verzoeker (en de feitelijke uitvoering daarvan) geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaat. Verweerder voert terecht aan dat verzoeker zich kan wenden tot de burgerlijke rechter.
6. De voorzieningenrechter is kennelijk niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, betaalt de griffier het griffierecht terug. [6]

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2026.
De griffier is verhinderd te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Strafdossier met parketnummer 17/880181-07.
2.Artikel 457 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv), ECLI:NL:GHLEE:2009:BI1599.
3.Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2026 in zaak nr. SGR 25/5744. Deze uitspraak is (nog) niet gepubliceerd.
4.Verweerder wijst ter vergelijking op het vonnis in kort geding van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:723.
5.Verweerder wijst erop dat verzoeker zijn verzoekschrift lijkt te hebben opgesteld met behulp van ChatGPT, wat niet leidt tot een juridisch navolgbaar of concludent verzoek, aldus verweerder.
6.Zie artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht.