ECLI:NL:RBDHA:2026:17842

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL26.22984
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wav
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toewijzing verlenging gecombineerde vergunning verblijf en arbeid voor Aziatische kok

Verzoeker, een Thaise kok werkzaam in de Aziatische horeca, vroeg om verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag af vanwege een negatief UWV-advies over voldoende aanbod op de arbeidsmarkt en onvoldoende wervingsinspanningen van de werkgever.

Verzoeker stelde dat zijn beroep een redelijke kans van slagen heeft en dat hij een spoedeisend belang heeft omdat hij door de afwijzing niet mag werken, wat leidt tot inkomensverlies en problemen bij zijn werkgever. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van een spoedeisend belang, mede omdat vervanging niet mogelijk was en de bedrijfsvoering van het restaurant werd belemmerd.

Hoewel de voorzieningenrechter geen diepgaand inhoudelijk oordeel gaf over de rechtmatigheid van het besluit, achtte hij het beroep niet kansloos gezien recente jurisprudentie. De belangenafweging viel in het voordeel van verzoeker uit, omdat hij al jaren legaal werkte en de gevolgen van afwijzing ernstig zijn.

De voorlopige voorziening werd toegewezen, waardoor verzoeker mag werken en verblijven in Nederland totdat op het beroep is beslist. Verweerder moet het griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitkomst: Verzoeker mag gedurende de beroepsprocedure werken en verblijven alsof hij in het bezit is van de gevraagde vergunning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.22984

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker,

v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Verzoeker heeft op 10 januari 2025 een aanvraag ingediend voor een verlenging van de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij het Aziatisch restaurant
[referent](referent). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 8 mei 2025 afgewezen. Verweerder is bij het bestreden besluit van 9 april 2026 bij die afwijzing gebleven.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. [1] Hij heeft daarbij ook dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde, Y. Wongsuwan als tolk, de gemachtigde van verweerder, [naam 1] namens het UWV en [naam 2], de werkgever van verzoeker.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft de Thaise nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Hij was vanaf 2023 in het bezit van een GVVA om als Aziatische kok te werken. Verzoeker heeft verzocht om verlenging van die vergunning. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen vanwege een negatief advies van het UWV, waarin wordt geconcludeerd dat er voldoende prioriteit genietend aanbod (‘pga’) aanwezig is op de arbeidsmarkt en dat referent onvoldoende heeft gezocht naar kandidaten. [2] Deze voorwaarden mogen volgens verweerder worden tegengeworpen omdat de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca is komen te vervallen.
Wat vinden verzoeker en verweerder?
3. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag en heeft daartegen beroep ingesteld. Hij heeft ook een voorlopige voorziening ingediend waarin hij de voorzieningenrechter verzoekt om verweerder te verbieden eiser uit te zetten terwijl zijn beroep nog loopt en om verweerder te gebieden dat hij mag werken bij zijn werkgever gedurende het beroep. [3] Verzoeker stelt zich daarbij op het standpunt dat zijn verzoek spoedeisend belang heeft, zowel voor hemzelf als voor referent. Verzoeker mag immers door de afwijzing niet meer werken, waardoor hij inkomen misloopt en zijn arbeidscontract niet na kan komen. Zijn werkgever komt daardoor in de problemen bij de bedrijfsvoering van het restaurant.
3.1.
Verzoeker vindt verder dat zijn beroep een redelijke kans van slagen heeft. Verweerder verleent sinds het laatste kwartaal van 2025 weer vergunningen aan Aziatische koks, waaruit blijkt dat er geen sprake is van aanwezig pga. Daarnaast is de grondslag van de eerdere toelating van eiser niet veranderd met het intrekken van de beleidsregel waarin Aziatische koks werden begunstigd.
3.2.
Verweerder verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Volgens verweerder is er geen sprake van spoedeisend belang, omdat er nog geen handelingen zijn verricht ter voorbereiding van verzoekers uitzetting. Verder vindt verweerder dat het verzoek niet toegewezen zou moeten worden omdat de wetgever bewust niet heeft voorzien in de mogelijkheid om arbeid te verrichten gedurende een beroepsprocedure. Bovendien heeft het beroep geen kans van slagen omdat er wél sprake is van pga en omdat de weigeringsgronden die aan eiser zijn tegengeworpen dwingendrechtelijk van aard zijn.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op zijn beroep. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
4.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van een spoedeisend belang. Ter zitting hebben verzoeker en zijn werkgever toegelicht dat ze graag de tussen hen afgesloten arbeidsovereenkomst zouden willen nakomen en dat er problemen zijn ontstaan in de bedrijfsvoering van het restaurant doordat eiser niet langer mag werken. Eiser heeft een bepalende rol als kok in het restaurant en wordt door zijn werkgever gezien als sleutelpersoneel. Het vinden van tijdelijke vervanging voor verzoeker is niet gelukt. Zijn afwezigheid wordt nu tijdelijk opgevangen door andere werknemers die daarvoor overwerken en wiens aanwezigheid gevraagd is op andere vestigingen van de restaurants van de werkgever van verzoeker. De voorzieningenrechter volgt verweerder daarbij niet in zijn standpunt dat het spoedeisend belang niet zou zijn aangetoond omdat de gevolgen voor de bedrijfsvoering niet zijn onderbouwd met bewijsstukken. De voorzieningenrechter ziet in het kader van het spoedeisend belang namelijk geen aanleiding om te twijfelen aan de hierover ter zitting geboden toelichting.
4.2.
Uit het spoedeisend belang om te mogen werken gedurende de beroepsprocedure volgt logischerwijs dat verzoeker ook een spoedeisend belang heeft om in Nederland te verblijven gedurende de beroepsprocedure.
Heeft het beroep een redelijke kans van slagen?
5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het oordeel in deze zaak een voorlopig karakter heeft en dat dit de rechtbank in de beroepszaak niet bindt. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat deze spoedprocedure zich niet leent voor een diepgaand inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het besluit.
5.1.
De rechtbank is ermee bekend dat daags voor de zitting een uitspraak is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag [4] , waarin onder meer wordt ingegaan op de vraag of verweerder voldoende motiveert dat er sprake is van pga (voor koksfuncties in de Aziatische horeca) en waaraan de wervingsinspanningen van een werkgever dienen te voldoen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat ook de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht een dag voor de zitting een soortgelijke uitspraak heeft gedaan. [5] Hoewel deze uitspraken richting geven over de kans van slagen van het beroep, zijn deze uitspraken dermate kort voor de zitting gewezen dat het voor partijen nog niet mogelijk is geweest om daar een inhoudelijk debat over te kunnen voeren. Bij deze stand van zaken en gelet op de tot voor kort uiteenlopende jurisprudentie over de afschaffing van de Regeling voor de Aziatische horeca, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep een redelijke kans van slagen op dit moment niet kan worden ontzegd.
Valt de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit?
6. Het belang van verzoeker en referent is erin gelegen dat verzoeker weer legaal kan werken voor zijn werkgever. Daarmee zou weer uitvoering kunnen worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst en zouden de problemen in de bedrijfsvoering niet langer aanhouden. Daartegenover staat het uitgangspunt dat het instellen van beroep geen schorsende werking heeft en het belang van verweerder dat de wet wordt gevolgd. Het is volgens verweerder niet de bedoeling dat een situatie ontstaat waarbij illegale tewerkstelling legaal wordt gemaakt.
6.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt de belangenafweging in het voordeel van verzoeker en referent uit. De voorzieningenrechter kan verweerder volgen in zijn belang dat de regels worden nageleefd, maar voor de voorzieningenrechter weegt zwaarder dat verzoeker, na een eerder positief UWV-advies, al enkele jaren legaal arbeid heeft verricht en dat afwijzing van het verzoek in dit geval directe gevolgen heeft voor verzoeker en referent, terwijl het beroep een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker totdat op zijn beroep is beslist, moet worden behandeld alsof hij in het bezit is van de verzochte vergunning. Dat betekent in de praktijk dat het verzoeker is toegestaan om te werken en in Nederland te verblijven totdat de rechtbank op zijn beroep heeft beslist.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-. [6]

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder verzoeker aldus dient te behandelen dat hij mag werken bij referent en in Nederland mag verblijven totdat op het beroep is beslist;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Geregistreerd onder zaaknummer NL26.22983.
2.Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
3.Eiser verwijst daarbij naar de toegewezen voorlopige voorziening gedurende de bezwaarfase, onder zaaknummer NL25.25846 (niet gepubliceerd).
4.Uitspraak van 2 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15055.
5.NL25.59364 (niet gepubliceerd).
6.1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.