AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verlenging gecombineerde vergunning verblijf en arbeid voor kok in Aziatische horeca na vervallen regeling
Eiser, een Bengaalse kok, verzocht om verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om te werken bij een Aziatisch restaurant. Verweerder wees de aanvraag af op basis van een negatief UWV-advies, dat stelde dat er voldoende prioriteitgenietend aanbod was en dat de referent onrealistische functie-eisen stelde.
Eiser betwistte het UWV-advies en voerde onder meer aan dat het vervallen van de Regeling Aziatische horeca en de toets aan specifieke functie-eisen niet correct was toegepast, en dat het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel waren geschonden. De rechtbank oordeelde dat het vervallen van de regeling en de toets vooraf was aangekondigd en dat het UWV-advies zorgvuldig en inzichtelijk was opgesteld.
De rechtbank stelde vast dat verweerder het UWV-advies terecht aan het besluit ten grondslag heeft gelegd en dat er sprake is van dwingende afwijzingsgronden, waardoor geen belangenafweging hoefde plaats te vinden. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verlenging van de GVVA is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8753
uitspraak van 2 juni 2026 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (hierna: GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (hierna: referent). Verweerder heeft eisers aanvraag met het besluit van 14 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] (namens referent),
K. Lachmansingh als tolk, de gemachtigde van verweerder, en mr. [naam 2] (namens het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)).
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Bengaalse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Van
22 maart 2023 tot en met 22 maart 2025 heeft hij een GVVA gehad om als Aziatische kok bij referent te werken. Op 20 februari 2025 heeft eiser een aanvraag gedaan om verlenging van deze vergunning.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen vanwege een negatief UWV-advies. Uit het UWV-advies volgt dat er voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is, er geen (goede) vacaturemelding is gedaan, referent onvoldoende gezocht heeft naar kandidaten, en referent onnodige eisen heeft gesteld aan de functie. [1] Deze voorwaarden mogen volgens verweerder worden tegengeworpen omdat de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca is komen te vervallen. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte het negatieve UWV-advies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Het advies is namelijk onzorgvuldig en onjuist en de conclusies zijn niet inzichtelijk en niet navolgbaar. Verweerder heeft in de eerste plaats ten onrechte niet om een reactie gevraagd op het advies in de bezwaarfase. [3] In het UWV-advies komt in de tweede plaats niet of onvoldoende terug dat het gaat om een verblijfsvergunning die eerder wel aan eiser is verleend voor dezelfde functie, zodat eiser vertrouwen kon en mocht ontlenen aan de eerder verleende vergunning. In die eerdere procedure is eisers aanvraag in eerste instantie afgewezen omdat eiser niet aan de ervaringsvereisten zou voldoen. Referent heeft bij de verlengingsaanvraag rekening gehouden met deze eisen en vervolgens wordt tegengeworpen dat die ervaringsvereisten niet gesteld mogen worden. Onder gelijkblijvende omstandigheden kunnen niet plotseling andere functie-eisen worden gesteld, dit is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Alle tegengeworpen afwijzingsgronden zien op de door referent gestelde eis van één jaar werkervaring in de Indiase keuken. De conclusie van het UWV dat de werkervaringseis irreëel is kan niet worden gevolgd. Het UWV stelt ten onrechte in zijn algemeenheid dat voor het werken als kok in de Aziatische horeca geen werkervaring vereist is en er daarom prioriteitgenietend aanbod bestaat. Referent heeft namelijk uitgebreid gemotiveerd wat de karakteristieken zijn van deze specifieke functie. Verweerder heeft tot slot ten onrechte gesteld dat het advies gestoeld is op dwingende afwijzingsgronden en er geen ruimte is voor een nadere toets of belangenafweging.
Wat is de voorgeschiedenis?
5. Vanwege een personeelsprobleem in de Aziatische horeca is op 1 oktober 2014 het Convenant Aziatische Horeca [4] gesloten. Onder dit Convenant werd afgezien van de wettelijke toets op prioriteitgenietend aanbod voor werkgevers in de Aziatische horeca die koks wilden tewerkstellen voor de functieniveaus 4 tot en met 6. In 2019 is het Convenant Aziatische Horeca voortgezet in de Regeling Aziatische horeca [5] . Als onderdeel van de uitzonderingspositie voor restaurants in de Aziatische horeca hanteerde het UWV bij toetsing van de aanvragen “specifieke functie-eisen”. Het betrof verschillende eisen, waaronder vaardigheden die volgens de branche nodig waren om de specifieke gerechten te kunnen bereiden en kennis van de taal en cultuur van het desbetreffende Aziatische land. Om aan de specifieke functie-eisen te voldoen, had een kok op functieniveau 4 een mbo niveau 3-diploma en twee jaar werkervaring nodig.
5.1.
Per 1 januari 2022 is de Regeling Aziatische horeca vervallen. [6] De aanleiding hiervoor was dat het kabinet signalen had ontvangen die zouden kunnen duiden op gevallen van mensenhandel en/of mensensmokkel. Tot 1 februari 2022 was er sprake van overgangsrecht en daarnaast bleef de Regeling Aziatische horeca van toepassing op reeds verleende vergunningen en verlengingsaanvragen. Na het besluit tot stopzetting van de regeling heeft het kabinet nagedacht over de vraag of de regeling in aangescherpte vorm zou kunnen herleven. In afwachting van dit besluit is het UWV na 1 februari 2022 blijven toetsen aan de specifieke functie-eisen die voortvloeiden uit het Convenant Aziatische Horeca. Op 18 november 2022 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Tweede Kamer geïnformeerd dat de Regeling voor de Aziatische horeca definitief komt te vervallen. [7] De minister heeft het UWV in lijn daarmee verzocht om het toetsingskader aan te passen. In een brief van 17 mei 2023 zijn de sectorvertegenwoordigers geïnformeerd dat per 1 juli 2024 de toets aan de specifieke functie-eisen kwam te vervallen. [8] Daarmee is een definitief einde gekomen aan de uitzonderingspositie van de Aziatische horeca.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Heeft verweerder eiser opnieuw moeten horen naar aanleiding van het UWV-advies in bezwaar?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet in de gelegenheid heeft hoeven te stellen om – op grond van artikel 7:9 vanPro de Awb – opnieuw gehoord te worden naar aanleiding van het aanvullende UWV-advies in de bezwaarfase. Eiser is in bezwaar in staat gesteld zijn zienswijze te geven op het eerste advies van het UWV. Vervolgens heeft verweerder in de opmerkingen van eiser aanleiding gezien om een aanvullend advies te vragen. Verweerder heeft er in het verweerschrift terecht op gewezen dat het aanvullend advies een nadere nuancering is van het eerste advies. Het UWV heeft hier geen nieuwe argumenten aan ten grondslag gelegd, maar is enkel ingegaan op de bezwaargronden en heeft aangegeven waarom deze volgens hem geen afbreuk doen aan het eerdere advies. Eiser heeft ook niet concreet gemaakt welke onderdelen van het aanvullende advies meer dan een nadere nuancering zouden zijn.
Heeft verweerder het UWV-advies ten grondslag kunnen leggen aan zijn besluit?
7. Verweerder moet voordat hij een besluit neemt over de verlening, verlenging of intrekking van een GVVA advies vragen aan het UWV. [9] Het UWV-advies is een deskundigenadvies. Wanneer verweerder een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is, en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Een aanvrager kan de bevindingen uit een deskundigenadvies betwisten door middel van een contra-expertise of door concrete aanknopingspunten voor inhoudelijke twijfel aan te voeren. In dat geval mag verweerder niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt verweerder de opsteller van het advies een reactie over wat op het advies is aangevoerd.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende is nagegaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is, en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Verweerder heeft het UWV om een reactie gevraagd op de beroepsgronden waarin eiser het UWV-advies inhoudelijk betwist en deze reactie opgenomen in het verweerschrift. In dat wat door eiser naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het UWV-advies of twijfel aan de redenering en de getrokken conclusies in het UWV-advies. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe aan de hand van de beroepsgronden.
8.1.
De beroepsgrond van eiser dat in het UWV-advies, dan wel in de keuze van verweerder om dit onverkort aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen, onvoldoende terugkomt dat het gaat om een verlenging van een verblijfsvergunning die eerder aan eiser voor dezelfde functie is verleend, slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank licht dit hierna toe.
8.1.1.
Bij een verlengingsaanvraag moet opnieuw worden getoetst of nog aan de beperking wordt voldaan waarvoor de vergunning is verleend. Er wordt niet of niet langer aan de beperking voldaan, indien de vreemdeling niet meer in Nederland verblijft voor het doel waarvoor de vergunning is verleend of niet meer voldoet aan de bijzondere voorwaarden die in het kader van het verblijfsdoel worden gesteld. [10] Het uitgangspunt is dat een aanvraag wordt getoetst aan de op dat moment geldende regelgeving. Ter zitting heeft eiser verduidelijkt dat het hem er niet om gaat dat de Regeling Aziatische horeca is afgeschaft, maar om het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen. Volgens eiser is het vervallen van die toets niet op de juiste manier bekendgemaakt en volgt dit niet zonder meer uit het afschaffen van de regeling. Ook is het vervallen van de toets volgens eiser in strijd met de regels uit de Wav, waarin de toets aan prioriteitgenietend aanbod leidend is. Tot slot heeft eiser gewezen op Richtlijn 2024/1233 [11] waarin is aangegeven dat de voorwaarden en criteria op grond waarvan een GVVA-aanvraag kan worden afgewezen objectief moeten zijn en in het nationale recht moeten zijn vastgesteld.
8.1.2.
De rechtbank oordeelt dat het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Ten eerste strekt het rechtszekerheidsbeginsel niet zover dat regelgeving en/of beleid niet mag worden aangepast. Daarnaast vloeiden de specifieke functie-eisen voort uit het Convenant Aziatische Horeca. Zoals weergegeven in 5. en 5.1. is het UWV, nadat de Regeling Aziatische horeca was vervallen, blijven toetsen aan de specifieke functie-eisen omdat de regeling mogelijk in een andere vorm zou herleven. Nadat duidelijk werd dat de Regeling Aziatische horeca definitief kwam te vervallen, heeft het UWV daarom ook de toets aan de specifieke functie-eisen mogen laten vervallen. Dat dit beleid zou komen te vervallen is daarbij ruim van tevoren aangekondigd in de brief aan de sectorvertegenwoordigers van 17 mei 2023, zodat werkgevers maatregelen konden treffen.
8.1.3.
Ook volgt de rechtbank niet dat het vervallen van de toets aan de specifieke functie-eisen in strijd zou zijn met de regels uit de Wav. Dat de beleidsmatige toets aan die specifieke functie-eisen is vervallen, betekent niet dat in de toets aan het prioriteitgenietend aanbod die volgt uit de Wav niet meer gekeken kan worden of voor het werken als kok bij een werkgever bepaalde functie-eisen gesteld moeten of kunnen worden. Het betekent alleen dat niet langer op voorhand door het UWV beleidsmatig wordt aangenomen dat voor het werken in de Aziatische horeca specifieke functie-vereisten gelden. Eisers verwijzing naar de Richtlijn 2024/1233 slaagt niet, omdat de implementatietermijn van deze richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken. [12]
8.1.4.
Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt ook niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan waaruit hij kon en mocht afleiden dat zijn verlengingsaanvraag zou worden ingewilligd. Eiser heeft dit niet kunnen afleiden uit de eerdere verlening van zijn vergunning in 2023, gelet op het vervallen van de regeling Aziatische Horeca en de aankondiging van het vervallen van de beleidsmatige toets aan specifieke functie-eisen.
8.2.
De conclusie van het UWV dat de door referent gestelde eis van aantoonbare werkervaring als zelfstandig kok irreëel is, is naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en navolgbaar. De rechtbank licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt.
8.2.1.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft het UWV de toets aan de specifieke functie-eisen, na het intrekken van de Regeling Aziatische horeca, mogen laten vervallen. Dat het UWV niet langer beleidsmatig aanneemt dat voor het werken in de Aziatische horeca specifieke functie-eisen gelden, betekent niet dat in de toets aan het prioriteitgenietend aanbod niet meer gekeken kan worden of voor het werken als zelfstandig kok I bij referent bepaalde functie-eisen gesteld moeten of kunnen worden. De rechtbank vindt in dit kader de conclusie van het UWV dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I in functiegroep 5, waar referent voor geworven heeft, in de Aziatische horecasector in het algemeen geen werkervaring vereist is, te volgen. Het UWV heeft verwezen naar het referentiehandboek horeca, waarin staat dat voor de functie van zelfstandig werkend kok I mbo 3 werk- en denkniveau vereist is, zonder werkervaring. Ook heeft het UWV gewezen op een notitie van adviesbureau EVZ organisatie-advies (hierna: EVZ) van 5 april 2024 waaruit volgt dat vanuit het oogpunt van functiewaardering er geen reden is om onderscheid te maken tussen de niveaus van verschillende restaurants met een van oorsprong verschillende keuken. Een verschil in indeling wordt volgens EVZ alleen gerechtvaardigd door het kwaliteitsniveau van het restaurant. Voor restaurants in het ‘reguliere’ segment concludeert EVZ dat in ieder geval de functies van kok, zelfstandig werkende kok en sous-chefkok na een zekere inwerktijd ook kunnen worden uitgevoerd door koks die in Nederland zijn opgeleid. Het eigen maken van de voorbereiding van specifieke grondstoffen, het gebruik van specifieke ingrediënten en het leren toepassen van bereidingsmethoden voor specifieke gerechten vergt voor een in Nederland opgeleide kok een inwerktijd van ongeveer 3 tot 6 maanden.
8.2.2.
In het Panteia-rapport uit 2016, waar eiser op heeft gewezen en waarin is geconcludeerd dat de functie-eisen uit het Convenant Aziatische Horeca reëel en proportioneel waren, ziet de rechtbank geen concreet aanknopingspunt tot twijfel aan de redenering en de conclusie van het UWV. In het Panteia-rapport zijn namelijk de inhoudelijke functie-eisen van het Convenant Aziatische Horeca als uitgangspunt genomen en is op basis daarvan onderzocht of beheersing van de taal en kennis van de cultuur noodzakelijk zijn om de functies goed uit te oefenen. In het rapport is daarbij ook aangegeven dat het de onderzoekers niet lijkt dat voor elke koksfunctie vanaf niveau 4 de kok alles moet beheersen wat in de functieomschrijving staat. Daarnaast is het Panteia-rapport inmiddels 10 jaar oud en is in de brief van 17 mei 2023, waarin het vervallen van de specifieke functie-eisen is aangekondigd, ook aangegeven dat het maatschappelijk speelveld en ook de Aziatische horecasector sinds 2016 sterk zijn gewijzigd.
8.2.3.
Verder is ook de conclusie van het UWV dat referent niet heeft onderbouwd dat voor zijn specifieke restaurant wel werkervaring vereist is, te volgen. Het UWV heeft terecht opgemerkt dat pas in beroep voor het eerst is toegelicht dat referent de vegetarische/veganistische Indiase keuken bedient en welke specifieke deskundigheid, zoals authentieke kooktechnieken, hiervoor zijn vereist. Dit komt ook niet terug in de vacatures. Gelet op het feit dat in deze zaak gekeken moet worden naar hetgeen bij partijen op dit punt bekend was ten tijde van het bestreden besluit (de ex tunc-toetsing), kan de rechtbank dit niet bij de beoordeling van het beroep betrekken. Het staat eiser vrij om een nieuwe aanvraag in te dienen waarin nader onderbouwd wordt waarom voor het werken bij referent in de beoogde functie nu juist wel specifieke werkervaring vereist is.
8.3.
Gelet op het voorgaande volgt afdoende uit het UWV-advies dat er prioriteitgenietend aanbod is, bestaande uit personen met een mbo niveau 3 opleiding als (zelfstandig werkend) kok. In het verweerschrift heeft het UWV erop gewezen dat er op dit moment meer dan 500 werkzoekenden op zoek zijn naar een functie binnen het beroep van zelfstandig werkend kok. De stelling van eiser dat dit anders is omdat in het eerste kwartaal van 2026 50 procent van de GVVA-aanvragen in de Aziatische horeca wel is toegekend, leidt gelet op hetgeen hiervoor in deze uitspraak is overwogen niet tot een ander oordeel. Omdat referent heeft geworven met een irreële functie-eis, zijn ook de conclusies van het UWV dat geen (goede) vacaturemelding heeft plaatsgevonden en dat referent onvoldoende wervingsinspanningen heeft verricht voldoende inzichtelijk en te volgen. Op de zitting heeft het UWV er nog op gewezen dat eiser en referent tegenbewijs kunnen leveren voor de stelling dat er sprake is van prioriteitgenietend aanbod wanneer de vacature op de juiste manier wordt opgesteld en er na wervingsinspanningen geen geschikte kandidaat voor de functie wordt gevonden. De aanvraag kan dan mogelijk alsnog ingewilligd worden.
9. Nu verweerder voldaan heeft aan zijn vergewisplicht, heeft verweerder het UWV-advies aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen.
Heeft verweerder terecht gesteld dat er sprake is van dwingende afwijzingsgronden en er daarom geen ruimte is voor een nadere toets of belangenafweging?
10. Eiser heeft erop gewezen dat artikel 9 vanPro de Wav een facultatieve bepaling is en dat dit ook volgt uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [13] Daarnaast kan volgens eiser op grond van artikel 8, derde lid, van de Wav worden afgeweken van de in het eerste lid opgenomen weigeringsgronden. Ook heeft eiser een beroep gedaan op artikel 8, tweede lid, van de Richtlijn 2024/1233 waaruit volgens hem volgt dat altijd aan het evenredigheidsbeginsel moet worden getoetst. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
10.1.
In het UWV-advies is geconcludeerd dat de weigeringsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wav van toepassing zijn. De weigeringsgronden van artikel 8 vanPro de Wav zijn dwingend geformuleerd. In artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, van de Wav staat dat ‘in door Onze Minister te bepalen gevallen’ kan worden afgeweken van het eerste lid, onder a, b, c, d en f. De uitzonderingen op grond van deze bepaling zijn nader uitgewerkt in bijlage I Uitvoeringsregels behorende bij de RuWav 2022 [14] . Het UWV heeft er terecht op gewezen dat daarin geen mogelijkheid is opgenomen om in gevallen als deze af te wijken. Volgens artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) kan verweerder de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ verlenen, indien geen afwijzingsgrond uit de artikelen 8 en 9 van de Wav van toepassing is. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat er geen ruimte is voor een belangenafweging, omdat er dwingende weigeringsgronden aan het bestreden besluit ten grondslag liggen. Er heeft ook geen belangenafweging plaats hoeven vinden wat betreft de facultatieve weigeringsgrond uit artikel 9 vanPro de Wav. Deze belangenafweging zou namelijk niet tot een ander oordeel kunnen leiden met betrekking tot de dwingende weigeringsgronden. Tot slot slaagt eisers verwijzing naar de Richtlijn 2024/1233 niet, omdat de implementatietermijn van deze richtlijn ten tijde van het bestreden besluit nog niet was verstreken.
11. Eiser heeft daarnaast gewezen op artikel 3.31, vijfde lid, van het Vb 2000, waarin staat dat de verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ ook in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid kan worden verleend. Verweerder heeft zich in reactie hierop op het primaire standpunt gesteld dat de rechtbank deze beroepsgrond niet kan betrekken, omdat eiser hier in bezwaar geen beroep op heeft gedaan. Subsidiair heeft verweerder, onder verwijzing naar de Nota van Toelichting bij artikel 3.31 van het Vb 2000 [15] , betoogd dat eiser niet onder de uitzondering van artikel 3.31, vijfde lid, van het Vb 2000 valt.
11.1.
De rechtbank overweegt dat er tussen de bestuurlijke fase en beroep geen grondentrechter geldt, en dat daarom in beroep gronden tegen een besluit kunnen worden aangedragen die niet in de bestuurlijke fase naar voren zijn gebracht. [16] De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de Nota van Toelichting bij artikel 3.31 van het Vb 2000 heeft mogen concluderen dat enkel in gevallen die geregeld worden in de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) kan worden afgeweken van de afwijzingsgronden uit de Wav en dat de wetgever niet beoogd heeft dat artikel 3.31, vijfde lid, van het Vb 2000 wordt ingezet als vangnet voor zaken waarin is vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van de Wav. In paragraaf B5/2.1.1 en B5/2.1.2 van de Vc 2000 is uiteengezet in welke situatie toepassing wordt gegeven aan artikel 3.31, vijfde lid van het Vb 2000. Gesteld noch gebleken is dat van één van deze situaties sprake is.
12. Verder heeft eiser nog een beroep gedaan op artikel 8 vanPro het EVRM [17] , en daarbij tevens verwezen naar de Global Compact for Migration. De rechtbank overweegt hierover dat verweerder in het bestreden besluit niet aan artikel 8 vanPro het EVRM heeft hoeven toetsen. Eiser heeft namelijk in de aanvraagfase noch in de bezwaarfase impliciet of expliciet een beroep gedaan op het recht op familie- of privéleven in de zin van artikel 8 vanPro het EVRM. Pas in beroep heeft eiser gewezen op het recht op eerbiediging van het privéleven, maar hij heeft ook niet nader onderbouwd op welke wijze het bestreden besluit hiermee in strijd komt. Het staat eiser verder vrij om een aparte aanvraag in te dienen voor de beoordeling van zijn beroep op grond van artikel 8 vanPro het EVRM.
13. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij door het niet verlengen van zijn verblijfsvergunning geschaad is in een aan het fundamentele recht op arbeid ontleend belang. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2015. [18] De rechtbank overweegt dat dit betoog niet slaagt, omdat deze uitspraak in deze zaak niet van toepassing is. De uitspraak van de Afdeling ging over de vraag of iemand wel of niet als belanghebbende moest worden aangemerkt. In dit kader overwoog de Afdeling dat er een reële mogelijkheid bestond dat appellant als gevolg van het besluit in een, aan het fundamentele recht op arbeid ontleend, belang zou worden geschaad, ter bescherming waarvan toegang tot de bestuursrechter haar niet mocht worden onthouden. Eiser heeft in dit geval toegang tot de bestuursrechter gehad.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
15. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzitter, en mr. D. Biever en mr. E.M.A. Vinken, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav).
2.Door de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca golden de voorwaarden in artikel 8, aanhef en onder a, b en c, van de Wav niet voor deze groep.
3.Eiser beroept zich hierbij op artikel 7:9 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
5.Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 augustus 2019, nr. 2019-0000122747, tot wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met de tewerkstelling van koks ten behoeve van de Aziatische horeca,
6.Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 oktober 2021, 2021-0000162643, tot Wijziging van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 in verband met het vervallen van de regeling voor tewerkstelling van koks in de Aziatische horeca,
8.Brief van de Directeur Arbeidsverhoudingen van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 mei 2023 aan de Aziatische horeca sector.
9.Artikel 14a van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw).
10.Memorie van Toelichting bij artikel 18 vanPro de Vw,
11.Richtlijn (EU) 2024/1233 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (herschikking).
12.In artikel 18, eerste lid, van Richtlijn 2024/1233 staat dat de implementatietermijn op 21 mei 2026 verstrijkt.