Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbankOver bestreden besluit 1 (NL26.33298)
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De gemachtigde van eiser voert aan dat uit het dossier onvoldoende blijkt wat de aanleiding was voor de staandehouding. Hoewel de bewaringsrechter normaliter niet bevoegd is om een strafrechtelijk voortraject te toetsen, is dat wel het geval als sprake is van discriminatoir handelen. Verder heeft de ophouding op de onjuiste grondslag plaatsgevonden. Eiser is opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw, maar eiser had opgehouden moeten worden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. De gronden h en r die ten grondslag worden gelegd aan de maatregel van bewaring worden betwist. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring onvoldoende gemotiveerd waarom niet volstaan kan worden met een lichter middel. Zo heeft verweerder niet meegenomen dat eiser heeft verklaard dat hij een vriendin in Nederland heeft en ook dat hij geld krijgt van de gemeente Amsterdam. Daarbij heeft eiser ook verklaard dat hij wil terugkeren naar Libië. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom ten aanzien van Libië nog zicht op uitzetting is. Uit het dossier blijkt dat eiser eerder in 2017 in bewaring heeft verbleven, maar niet is duidelijk hoelang eiser toen in bewaring verbleef. Als dit langer dan zes maanden is geweest had verweerder een verlengingsbesluit moeten nemen [3] . Tot slot is de vraag of eiser niet al declaratoir verblijfsrecht heeft gekregen doordat hij een relatie heeft een Unieburger. Door verweerder had hier meer onderzoek naar moeten doen en nu verweerder dit niet heeft gedaan is sprake van een gebrek.
De rechtbank overweegt het volgende.
Beslissing
N. Mekenkamp, griffier.