ECLI:NL:RVS:2025:3070
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- N. Verheij
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring en zicht op uitzetting naar Libië binnen redelijke termijn
De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 15 januari 2025 in bewaring met het doel hem uit te zetten naar Libië. Appellant betwistte niet zijn Libische nationaliteit, maar voerde aan dat het zicht op uitzetting ontbrak. De rechtbank oordeelde dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbrak, mede omdat de Koninklijke Marechaussee (KMar) weer escortes uitvoert en er recente uitzettingen hebben plaatsgevonden.
Appellant stelde in hoger beroep dat de minister onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de praktische belemmeringen voor uitzetting waren opgeheven. De minister verstrekte nadere schriftelijke inlichtingen waaruit bleek dat in juli 2024 en februari 2025 gedwongen uitzettingen naar Libië hebben plaatsgevonden, en dat er een groei is in het aantal nationaliteitsbevestigingen en laissez-passers (lp’s).
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het zicht op uitzetting naar Libië niet ontbreekt. De verstrekte lp’s, hoewel vaak ingezet voor zelfstandig vertrek, tonen medewerking van de Libische autoriteiten. De bewaring is daarom rechtmatig en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft rechtmatig.