ECLI:NL:RBDHA:2026:17896

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.13632
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 69 Vreemdelingenwet 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens te late indiening

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van 3 maart 2026 waarin zijn asielaanvraag werd afgewezen. De rechtbank beoordeelt het beroep buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, Awb.

De beroepstermijn bedroeg een week en het beroepschrift had uiterlijk op 10 maart 2026 ontvangen moeten zijn. Het beroepschrift werd echter op 11 maart 2026 ingediend, waardoor het te laat was. De rechtbank vindt geen verschoonbare redenen voor deze termijnoverschrijding, ondanks dat eiser een professionele rechtsbijstandverlener had en een vertrektermijn van vier weken was opgelegd.

Daarnaast toetst de rechtbank aan de Bahaddar-toets of er bijzondere omstandigheden zijn die terugkeer naar Irak onaanvaardbaar maken. De rechtbank concludeert dat uit de aangevoerde feiten niet onmiskenbaar blijkt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 EVRM Pro.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder verschoonbare omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13632

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 3 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

1. Op grond van artikel 69, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026, bedraagt de termijn voor het indienen van het beroepschrift een week.
2. Het dossier geeft geen aanleiding om aan te nemen dat het bestreden besluit niet op 3 maart 2026 op een juiste wijze is bekendgemaakt. Dit brengt mee dat het beroepschrift uiterlijk op 10 maart 2026 ontvangen had moeten zijn. Het beroepschrift is echter ontvangen op 11 maart 2026 en daarmee te laat.
3. Er zijn geen redenen aanwezig om deze termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Dat aan eiser een vertrektermijn van vier weken is opgelegd en dat de procedure lang heeft geduurd, is daarvoor onvoldoende. Op het bestreden besluit is namelijk duidelijk aangegeven dat de beroepstermijn een week bedraagt. Daarnaast wordt eiser bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Gesteld noch gebleken is dat er op de laatste dag van de beroepstermijn een storing was in het systeem voor digitaal procederen. Dit heeft de rechtbank geverifieerd via de internetpagina ‘Archief onderhoud en storingen’. Ten slotte is niet gebleken van omstandigheden zoals bedoeld in de uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:31) die anders dan voorheen kunnen maken dat een termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.
5. Met deze vaststelling kan niet worden volstaan, omdat op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar (ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494) moet worden beoordeeld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden die onmiskenbaar tot het oordeel leiden dat terugkeer van eiser naar Irak in strijd zou zijn met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het verbod op onmenselijke en vernederende behandeling).
6. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in deze zaak niet gebleken. Uit wat eiser in beroep heeft aangevoerd, kan namelijk niet onmiskenbaar worden afgeleid dat verweerders beoordeling van de situatie van Jezidi in Irak geen stand kan houden.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.