ECLI:NL:RBDHA:2026:17906

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL25.58632
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor arbeid tijdens bezwaarprocedure verlenging GVVA

Verzoeker heeft een aanvraag tot verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie op 24 november 2025 is afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar op 28 november 2025 en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om arbeid te mogen verrichten gedurende de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 16 april 2026 zonder zitting uitspraak gedaan. De minister heeft zich niet verzet tegen het verzoek om voorlopige voorziening. Op grond van artikel 8:81 Awb Pro is de voorlopige voorziening toegewezen, waardoor verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van de gevraagde vergunning en dus mag verblijven en werken bij zijn werkgever totdat op het bezwaar is beslist.

Daarnaast is bepaald dat de minister het griffierecht van €194,- en proceskosten van €934,- aan verzoeker moet vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, verzoeker mag werken tijdens bezwaarprocedure tegen afwijzing GVVA-verlenging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58632

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E.H.J.M. de Bonth).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, hangende het bezwaar tegen de afwijzing van verzoekers aanvraag om verlenging van zijn gvva [1] .
1.1.
Met het besluit van 24 november 2025 heeft de minister de aanvraag afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft op 28 november 2025 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 28 november 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een
voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij arbeid mag verrichten tijdens de bezwaarprocedure.
1.4.
Partijen hebben ermee ingestemd om de zaak zonder zitting af te doen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De minister heeft in een brief van 14 april 2026 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
4. Gelet hierop wijst de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening toe.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen in die zin dat de minister verzoeker dient te behandelen alsof hij in bezit is van de verzochte vergunning. Dat betekent dat hij in Nederland mag verblijven en mag werken bij zijn werkgever totdat op het bezwaar is beslist.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat de minister verzoeker dient te behandelen alsof hij in bezit is van de verzochte vergunning, zodat hij in Nederland mag verblijven en mag werken bij zijn werkgever totdat op het bezwaar is beslist;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 16 april 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.