ECLI:NL:RBDHA:2026:17915

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL25.40043
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 15c Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syriër wegens onvoldoende bewijs van persoonlijk risico op willekeurig geweld

Eiser, een Syrische jongvolwassene geboren in 2007, vroeg op 31 januari 2024 asiel aan in Nederland. Hij vreesde terugkeer naar Syrië vanwege mogelijke gedwongen rekrutering door strijdende groeperingen en de onveilige situatie in zijn woonplaats in de provincie Aleppo.

Verweerder wees de asielaanvraag af op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij persoonlijk risico liep op vervolging of ernstige schade door willekeurig geweld. De rechtbank bevestigde dat na het regime van Assad in december 2024 sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, waardoor eiser zijn persoonlijke risico moest onderbouwen, wat niet is gelukt.

Eiser voerde aan dat de situatie in Aleppo chaotisch is en dat hij inmiddels een leven heeft opgebouwd in Nederland, maar de rechtbank vond deze argumenten onvoldoende voor het verlenen van een verblijfsvergunning. Het beroep op het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat inmiddels een besluit was genomen.

De rechtbank veroordeelde verweerder wel tot betaling van proceskosten wegens overschrijding van de beslistermijn. Het beroep werd verder ongegrond verklaard, waardoor het bestreden besluit in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.40043

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).

Inleiding

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
In het besluit van 12 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag alsnog in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep mede betrekking op dit besluit.
Eiser heeft aanvullingen op de beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2007 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 31 januari 2024 asiel aangevraagd in Nederland. Op 6 januari 2026 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Eiser heeft verklaard dat hij in 2016 Syrië heeft verlaten vanwege de oorlog. Tot eind 2023 heeft hij in Turkije gewoond. Eiser heeft ook verklaard dat zijn vader ontvoerd is geweest door de terroristische groepering Jabhat al Nusra. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser gedwongen te worden gerekruteerd door één van de strijdende groeperingen.
2. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026 (Vw). Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in Syrië te vrezen heeft voor vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag 1951. Hij heeft namelijk geen persoonlijke aanknopingspunten aangeleverd waaruit blijkt dat hij te vrezen heeft voor gedwongen rekrutering. Ook loopt eiser volgens verweerder bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hoewel er na het einde van het regime van voormalig president Assad in december 2024 incidentele geweldsuitbarstingen zijn, neemt verweerder voor Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan (zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU). Dit brengt mee dat eiser persoonlijk aannemelijk moet maken waarom hij het risico zou lopen om daarvan slachtoffer te worden. Hierin is hij niet geslaagd. Dat hij een jongvolwassene is zonder netwerk en dat zijn vader in het verleden problemen heeft gehad, is hiervoor niet voldoende. Daarnaast komt eiser volgens verweerder niet in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning. Het gevolg van het bestreden besluit is dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Syrië.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat in de provincie Aleppo, waar hij vandaan komt, volgens recente informatie [1] nog steeds sprake is van een chaotische gewapende strijd. Hij loopt daardoor persoonlijk het risico om gerekruteerd te worden. Ook heeft verweerder zich daardoor ten onrechte op het standpunt gesteld dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Daarbij heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de erbarmelijke humanitaire omstandigheden. Daarnaast voert eiser aan dat hij inmiddels zijn leven heeft opgebouwd in Nederland en dat hij bijdraagt aan het economisch belang door hier te werken, zodat verweerder ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning heeft verleend.
4. In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat het bestreden besluit juist is. Daarbij verwijst hij naar een tweetal eerdere verweerschriften en naar diverse rechtbankuitspraken. Uit de door eiser aangehaalde bronnen kan niet worden afgeleid dat in eisers voormalige [woonplaats] in de provincie Aleppo geen sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Dat eiser al een tijdje in Nederland woont en dat hij in Nederland werkt, is onvoldoende aanleiding voor het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning.
5. In de reactie op het verweerschrift verwijst eiser naar diverse rechtbankuitspraken die niet in het voordeel van verweerder zijn. In die uitspraken komt naar voren dat sprake is van een volatiele situatie en dat de overheidsregering niet in staat is gebleken om grove mensenrechtenschendingen te voorkomen en de veiligheid voor de eigen bevolking te garanderen.
6. Aan het begin van de zitting is namens eiser verzocht om aanhouding omdat eiser per abuis naar het kantoor van zijn gemachtigde was gereisd in plaats van naar de rechtbank. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen vanwege het belang van voortgang van de zaak en omdat het voor rekening van eiser komt dat hij naar het verkeerde adres is gegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
7. Voor zover het beroep nog ziet op het niet tijdig nemen van een besluit op eisers asielaanvraag moet worden vastgesteld dat daarbij inmiddels geen procesbelang meer bestaat omdat er alsnog een besluit op die aanvraag is genomen. Het beroep zal dan ook in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
8. In de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22984, is geoordeeld dat verweerder na de machtsovername in Syrië in december 2024 terecht is uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. In latere uitspraken heeft deze rechtbank en zittingsplaats deze lijn aangehouden. Bekend is dat diverse andere zittingsplaatsen tot een ander oordeel zijn gekomen en dat er een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwacht wordt naar aanleiding van een zitting op 11 mei 2026. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank beoordeeld of de door eiser overgelegde informatie aanleiding geeft voor het oordeel dat verweerder ten onrechte uitgaat van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.
9. Volgens het door eiser overgelegde stuk van Anadolu Ajansı vinden er aanhoudende gevechten plaats rondom de Tishrin-dam, die op ongeveer dertig kilometer van [woonplaats] ligt, vanwege de strategische ligging ervan. Het stuk van het European Institute of Peace beschrijft de geschiedenis van [woonplaats] en de verrichtingen van de terroristische groep IS tijdens de burgeroorlog. Het stuk van de NOS gaat over aanvallen op gevangenissen voor IS-strijders. Naar het stuk van het Institute for the Study of War heeft eiser alleen in algemene zin verwezen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat het gewapende conflict in [woonplaats] zodanig in intensiteit is toegenomen dat niet langer kan worden uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
10. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende individuele elementen naar voren heeft gebracht om aannemelijk te maken dat hij persoonlijk slachtoffer zal worden van het willekeurige geweld. Uit de door eiser overgelegde informatie kan niet worden opgemaakt dat elke jongvolwassene zonder netwerk in [woonplaats] het risico loopt om gedwongen gerekruteerd te worden. Dat eisers vader in het verleden ontvoerd is geweest, is daarvoor ook onvoldoende.
11. Bij het afwijzen van een eerste asielaanvraag beoordeelt verweerder op grond van artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 of er een verblijfsvergunning regulier kan worden verleend, onder meer op grond van het recht op privé- of familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De enkele stelling van eiser dat hij inmiddels een aantal jaar in Nederland is en dat hij in Nederland werkt, is onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat verweerder daartoe ten onrechte niet is overgegaan.
12. De conclusie is dat het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het bestreden besluit, ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
13. Omdat ten tijde van de indiening van het beroepschrift sprake was van overschrijding van de beslistermijn van zes maanden op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor het indienen van het beroepschrift. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467,-, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een waarde per punt van € 934,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). Omdat de proceskostenveroordeling alleen gelegen is in het niet tijdig beslissen, is de rechtbank van oordeel dat de wegingsfactor licht van toepassing is.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep, voor zover dit betrekking heeft op het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk;
 verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
 veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- (vierhonderdzevenenzestig euro) aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 1 juli 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar: