ECLI:NL:RBDHA:2026:17940

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SRG 24/3456
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet bpmArt. 8 Uitvoeringsregeling bpmArt. 8:42 AwbArt. 20 AWRArt. 7 Wet bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van naheffingsaanslag BPM voor gebruikte importauto en toepassing Europees recht

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM opgelegd door de Belastingdienst voor de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz Vito uit Duitsland. De aanslag betrof een bedrag van €11.542 plus €132 belastingrente. De rechtbank heeft het taxatierapport van eiseres verworpen vanwege niet-naleving van wettelijke eisen en het ontbreken van aankoop- en reparatienota's.

De rechtbank heeft uitgebreid geoordeeld over de toepasselijkheid van het Europees recht, met name artikel 110 VWEU Pro, en de vraag of prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld moesten worden. De rechtbank concludeerde dat de Hoge Raad in eerdere arresten de juiste uitleg heeft gegeven en dat er geen aanleiding is om hiervan af te wijken.

Verder is geoordeeld dat de hoorplicht niet is geschonden, aangezien eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om gehoord te worden maar hier geen gebruik van heeft gemaakt. Ook is vastgesteld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd aan de belastingplichtige die de inschrijving in het kentekenregister heeft aangevraagd.

De rechtbank verwierp de stelling dat de belastingrente in strijd is met het Unierecht en oordeelde dat het heffingssysteem van BPM, inclusief de wijze van betaling en naheffing, niet discriminerend is. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Tevens is verwezen naar een samenhangende zaak voor de beoordeling van immateriële schadevergoeding.

Tot slot is geen proceskostenveroordeling toegewezen vanwege het ontbreken van bewijs van daadwerkelijke kosten, mede door de no-cure-no-pay-overeenkomst van de gemachtigde van eiseres.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/ 3456

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V. , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: A.FM.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 19 mei 2023 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 11.542. Er is daarbij een bedrag van € 132 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 februari 2024 het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij geen proceskosten vergoed of ambtshalve teruggaaf verleend.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mrs. [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 14 november 2021, voor de registratie van een gebruikte Mercedes-Benz Vito uit Duitsland, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: de auto), in het kentekenregister. De registratie is op 10 februari 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken] . De auto is op 24 januari 2022 goedgekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.
Datum eerste toelating
28-12-2020
CO2-uitstoot
197 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 57.796
Bruto bpm
€ 27.471
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 102.204
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 24.750
Verschuldigde bpm
€ 6.650
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van en ondertekend door
[naam] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 2 november 2021 tussen 10:20 en 10:50 uur te [vestigingsplaats] . Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 41.084 (herleid aan de hand van drie referentievoertuigen) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 16,626,68, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. Verweerder verwerpt het taxatierapport van eiseres, met de reden dat het rapport niet voldoet aan artikel 10 Wet Pro bpm jo. artikel 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling bpm. Uit het taxatierapport blijkt dat de fysieke opname van het voertuig heeft plaatsgevonden op 2 november 2021, deze datum ligt meer dan een maand voor de goedkeuringsdatum van de RDW. Verweerder heft na op basis van de forfaitaire afschrijvingstabel.
5. Bij brief van 29 maart 2023 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de herberekeningen door verweerder, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 18.192. Na aftrek van de voldane bpm
(€ 6.650), resteert een te betalen bedrag van € 11.542. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiseres op 26 april 2023 medegedeeld de naheffingsaanslag op te zullen gaan leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd en heeft hij een bedrag van € 132 aan belastingrente in rekening gebracht. Het totaalbedrag komt daarmee neer op € 11.674.
Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht.
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiseres ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Uitlegging van de Hoge Raad over diverse door eiseres in eerdere procedures ingenomen standpunten, zoals de mogelijkheid na te heffen na het belastbaar feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de bewijslastverdeling acht eiseres onverbindend en rechtsongeldig, omdat de rechtmatigheid van artikel 81 lid 1 RO Pro in geschil is door de ABRvS (13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632);
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiseres in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiseres, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
Eiseres is niet degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Hierdoor is de naheffingsaanslag aan de verkeerde belastingplichtige opgelegd waardoor de naheffingsaanslag vernietigd moet worden. Daarvoor verwijst eiseres naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017;
Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;
De gewijzigde wijze van heffing, waarbij thans een CO2-meting met behulp van de zogenaamde WLTP-methode plaatsvindt terwijl in het verleden gebruik werd gemaakt van de NEDC-methode, leidt tot een verboden onderscheid en daarmee tot schending van artikel 110 VWEU Pro.
De belastingrente die eiseres in rekening is gebracht is in strijd met artikel 110 VWEU Pro;
Eiseres heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Verweerder dient kentekengegevens (artikel 8:42 Awb Pro) te overleggen.
Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
10. Eiseres heeft onder meer aangevoerd dat Domeinen Roerende Zaken (DRZ) geen onafhankelijke partij zou zijn. Gezien het feit dat in onderhavige zaak geen nacontrole door DRZ heeft plaatsgevonden, gaat de rechtbank aan deze grief voorbij.
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
11. Eiseres heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van Pro het VWEU. Eiseres heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiseres evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiseres niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiseres genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
12. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiseres dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De stelling dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (grief b)
13. Het betoog van eiseres, dat de Hoge Raad niet bevoegd is Unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), dat in zijn algemeenheid het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in onderhavig geval buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiseres niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)
14. In dit kader heeft eiseres betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiseres volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
15. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van Pro het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
16. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiseres opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van Pro het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief d)
17. Eiseres stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiseres voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 5 september 2023, namelijk bij brieven van 8 augustus 2023 en 15 augustus 2023. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiseres gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiseres heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.
18. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief e)
19. Eiseres stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiseres daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiseres bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiseres nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiseres is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiseres in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
20. In het onderhavige geval heeft eiseres met, respectievelijk, dagtekening 29 maart 2023 en 26 april 2023, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm’ en ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen. Daarbij is eiseres in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiseres naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief f)21. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt - brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De tenaamstelling van de aanslag (grief g)
22. De rechtbank stelt vast dat de aanslag is opgelegd aan eiseres, zijnde degene die de inschrijving in het kentekenregister heeft aangevraagd. Dit is in overeenstemming met artikel 20, tweede lid, van de AWR in samenhang met artikel 7 van Pro de Wet bpm.
De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief h)
23. Het door eiseres bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020, nadien gewijzigd per 1 januari 2022). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Het taxatierapport moet in ieder geval maximaal één maand voorafgaand aan de aangifte worden opgemaakt. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiseres te volgen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
De CO2-uitstoot (grief i)
24. Met betrekking tot deze problematiek heeft de rechtbank Zeeland West-Brabant prejudiciële vragen gesteld. De Hoge Raad heeft deze vragen bij arrest van 26 april 2024 geadresseerd (ECLI:NL:HR:2024:653). Voor wat betreft de in aanmerking te nemen CO²-uitstoot en de daaraan te verbinden fiscale gevolgen bij de import van gebruikte auto’s uit andere lidstaten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dat de omstandigheid dat de CO²-uitstoot van gelijksoortige binnenlandse en buitenlandse personenauto’s volgens een verschillende, in de transitieregeling voorziene methode is of kan zijn vastgesteld, alleen dan niet leidt tot strijd met artikel 110 VWEU Pro, indien de voor de buitenlandse personenauto te heffen bpm wordt berekend naar de CO²-uitstoot die is vastgesteld volgens de methode die voor de belastingplichtige het meest voordelig is. Met betrekking tot de vraag wat de belastingplichtige in dit verband daarvoor aannemelijk moet maken heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de belastingplichtige, die stelt dat artikel 110 VWEU Pro is geschonden als gevolg van toepassing van de transitieregeling, aannemelijk moet maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.
25. Uit het dossier blijkt genoegzaam dat sprake is van een gebruikte auto met een kilometerstand waaruit blijkt dat de auto niet nieuw is. Ook is sprake van een datum van eerste toelating in Duitsland voorafgaande aan de registratie ervan in Nederland. De eerste vraag is daarmee bevestigend beantwoord. Voor wat betreft de tweede vraag lijkt het redelijk om aan te nemen dat het betreffende type Mercedes-Benz Vito in dezelfde vorm en met gelijke specificaties ook op de Nederlandse markt als nieuw is verkocht. Het vragen van een nader bewijs dienaangaande aan eiseres acht de rechtbank dan ook zinledig.
26. In het onderhavige geval is verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag uitgegaan van een uitstoot ter grootte van 197 gram per kilometer. De rechtbank heeft aan de hand van het in de ‘Kennisgeving Naheffingsaanslag’ van 29 maart 2023 met vermelde kenteken van de auto, [kenteken] , op basis van openbare bronnen (i.c. www.voertuig.net), vastgesteld dat deze uitstoot overeenkomt met de uitkomst van een zogenaamde WLTP-meting
.De rechtbank stelt vast dat de auto een datum eerste toelating heeft in de periode dat de WLTP-methode de wettelijke gangbare methode is voor het meten van de CO2-uitstoot. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres geen nadeel heeft ondervonden dat kan worden toegeschreven aan de toegepaste wijze van meten van de CO²-uitstoot en dat daarom niet van strijdigheid met artikel 110 VWEU Pro is gebleken.
Belastingrente en artikel 110 VWEU Pro (grief j)
27. Verweerder heeft eiseres belastingrente in rekening gebracht. Dat is, zo heeft eiseres gesteld, in kennelijke strijd met het recht van de Unie, nu belastingrente onder het bereik van artikel 110 VWEU Pro valt (Hof van Justitie, 27 april 2022, AirBNB Ierland/ Brussels Hoofdstedelijk Gewest, EU:C:2022:303, r.o. 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Eiseres heeft in dit kader gewezen op het hiervoor vermelde arrest van het Hof van Justitie. Daarin wordt, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie, in punt 27 overwogen dat het begrip “fiscale bepalingen” van artikel 114, tweede lid, VWEU zowel ziet op materiële regels als op procedureregels en dat de wijze van invordering niet los kan worden gezien van het heffings- of belastingstelsel waartoe zij behoort. Derhalve valt de heffing van belastingrente onder de reikwijdte van 110 VWEU. Verweerder heeft dat gemotiveerd bestreden. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt.
28. De rechtbank stelt voorop dat het Airbnb-arrest geen betrekking heeft op artikel 110 VWEU Pro, maar antwoord geeft op vragen over Richtlijn 2000/31/EG en het dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU Pro. In onderhavige zaak is noch die Richtlijn van toepassing noch is sprake van dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU Pro.
29. In artikel 6 van Pro de Wet bpm is bepaald dat tot 1 januari 2022 de belasting op aangifte moet worden voldaan voordat een personenauto op naam is gesteld in het kentekenregister. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat ook bij de registratie van binnenlandse personenauto’s geen kenteken wordt afgegeven zolang de ter zake van die registratie verschuldigde belasting niet is voldaan. Zo de nadere invulling van artikel 114, tweede lid, VWEU uit het Aribnb-arrest al onverkort heeft te gelden voor artikel 110 VWEU Pro, is in het voorliggend geval dan ook geen sprake van een met artikel 110 VWEU Pro strijdig verschil in heffingsmodaliteiten. Dat er wellicht bij de registratie van een ingevoerde gebruikte auto een langere periode kan zijn gelegen tussen de betaling van de verschuldigde belasting en de registratie van die auto dan bij de registratie van een binnenlandse auto en daardoor wellicht rentenadeel wordt ondervonden, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de heffingssystematiek maar van de keuze om het voertuig pas op een latere datum te laten registreren (zie ook Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.6.4.).
30. Het in rekening brengen van belastingrente is gebaseerd op het niet tijdig hebben voldaan van het wettelijk verschuldigde bedrag aan belasting. Dat geldt voor zowel binnenlandse voertuigen als voor voertuigen welke hier te lande worden ingevoerd. Een onderscheid wordt daarbij derhalve niet gemaakt. Van strijd met artikel 110 VWEU Pro kan dan ook niet worden gesproken. Het vorenstaande geldt, zo oordeelt de rechtbank, onverkort voor het voldoen van bpm na 1 januari 2022 waarbij het belastbare feit is verlegd naar het doen van aangifte en goedkeuring door de RDW. De rechtbank verwerpt derhalve deze stelling.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief k)31. Eiseres heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres voor haar optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie
32. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding
33. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van eiseres geregistreerd onder nummer SGR 24/2334 dat een vrijwel identiek geschil betreft aansluitend en dat op dezelfde zitting is behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat in de voormelde uitspraak de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade is vervat.
34. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • verwijst voor de beoordeling van het verzoek om vergoeding van immateriële schade naar de samenhangende zaak met zaaknummer SGR 24/2334.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
29 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).