ECLI:NL:RBDHA:2026:17960

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/15445
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor zelfstandige arbeid wegens onvoldoende onderbouwing ondernemingsplan

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel arbeid als zelfstandige. Verweerder wees deze aanvraag af omdat het ondernemingsplan geen gedegen markt- en concurrentieanalyse bevatte, eiser zijn vakinhoudelijke expertise onvoldoende had aangetoond en onvoldoende aanvullende stukken had overgelegd.

Eiser voerde in beroep aan dat de waardering van zijn diploma niet relevant was en dat verweerder ten onrechte aanvullende documenten eiste. Ook stelde hij dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de aanvraag had afgewezen omdat het ondernemingsplan onvoldoende onderbouwd was, met name door het ontbreken van een gedegen markt- en concurrentieanalyse en onvoldoende bewijs van vakinhoudelijke expertise.

De rechtbank stelde dat de overgelegde aangiften van de inkomstenbelasting onvoldoende waren om het ondernemingsplan te ondersteunen. Daarnaast was het horen van eiser in bezwaar niet verplicht omdat het bezwaar geen nieuwe feiten of stukken bevatte die tot een ander besluit konden leiden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het bestreden besluit en wees het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/15445

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. L. Tastan-Bastimar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. den Hollander).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 juni 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel ‘arbeid als zelfstandige’. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en eiser is het daar niet mee eens.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert – kort samengevat – het volgende aan. Volgens eiser beweert verweerder ten onrechte dat eiser zijn vakinhoudelijke expertise niet heeft aangetoond omdat hij de waardering van zijn diploma niet heeft overgelegd. Eiser kon namelijk geen waardering van zijn diploma overleggen en de waardering is voor eisers aanvraag niet van belang. Daarnaast eist verweerder ten onrechte van eiser dat hij de in het besluit genoemde documenten overlegt. Ook kan van eiser niet worden verwacht dat hij een uitvoerige
markt- en concurrentieanalyse aan verweerder overlegt. Ten slotte heeft verweerder de hoorplicht geschonden.
3.1.
In aanvulling op de gronden heeft eiser op 20 mei 2026 aangiften van de inkomstenbelasting overgelegd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het ondernemingsplan
5. De rechtbank stelt voorop dat uit uitspraken [1] van de hoogste bestuursrechter [2] volgt dat verweerder mag verlangen dat de vreemdeling de vereiste stukken overlegt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het ondernemingsplan van eiser geen gedegen markt- en concurrentieanalyse bevat, dat eiser zijn vakinhoudelijke expertise onvoldoende heeft aangetoond en dat hij verder ook onvoldoende stukken heeft overgelegd.
5.1.
Allereerst heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser de marktanalyse onvoldoende met documenten heeft onderbouwd. In de concurrentieanalyse heeft eiser opgenomen dat er in Nederland geen soortgelijke onderneming is, maar eiser heeft niet onderbouwd hoe eisers onderneming zich van andere organisaties en ondernemingen onderscheidt. Dat eiser naar eigen zeggen in zijn huidige werk heeft ervaren dat er een markt is voor zijn diensten, is onvoldoende om aan te nemen dat die markt er daadwerkelijk is en dat er – zoals eiser stelt – geen concurrentie op deze markt is.
5.2.
Ook heeft verweerder mogen vinden dat eiser zijn vakinhoudelijke expertise onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de overgelegde diploma’s in samenhang met de overige stukken blijkt – wat er verder ook zij van de waardering ervan – namelijk niet dat eiser over de benodigde expertise beschikt om studenten te begeleiden.
5.3.
Verder heeft verweerder in het bestreden besluit mogen concluderen dat eiser zijn aanvraag ook overigens onvoldoende heeft onderbouwd. In het primaire besluit heeft verweerder eiser gewezen op verschillende stukken die eiser zou kunnen overleggen ter onderbouwing van het ondernemingsplan. De eerst in beroep overgelegde aangiften van de inkomstenbelasting leiden niet tot een andere conclusie, omdat deze op zichzelf noch in samenhang met de overigens overgelegde stukken voldoende zijn.
Hoorplicht
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet hoefde te horen in bezwaar. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [3] Verweerder heeft in het primaire besluit aangegeven op welke punten de aanvraag onvoldoende is onderbouwd. Nu eiser in bezwaar de gevraagde stukken niet heeft overgelegd, mocht verweerder ervan uitgaan dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. De uitspraak [4] waar eiser naar verwijst, geeft geen reden voor een andere conclusie.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraken van de van 23 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1326, en 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2047.
2.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
3.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
4.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11017.