ECLI:NL:RBDHA:2026:17965

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/16087 en AWB 25/16088
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Besluit 1/80Art. 7:2 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 3 Europees Vestigingsverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen intrekking verblijfsvergunning arbeid in loondienst en afwijzing EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen

Eiser, een Turkse onderdaan met een verblijfsvergunning voor arbeid in loondienst, was werkzaam bij een supermarkt tot augustus 2022 en begon daarna als zelfstandige. Verweerder trok de verblijfsvergunning in omdat eiser niet meer voldeed aan de voorwaarden van het Besluit 1/80, met name omdat hij niet binnen negen maanden na het einde van zijn dienstverband weer in loondienst trad.

Eiser voerde aan dat zijn rechten op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 niet verloren mochten gaan en dat hij had moeten worden gehoord. De rechtbank oordeelde dat het verrichten van zelfstandige arbeid niet gelijkstaat aan arbeid in loondienst en dat eiser zijn rechten had verloren. Het horen van eiser was niet verplicht omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben.

De rechtbank verwierp de overige beroepsgronden en concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemzaak was afgerond. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 3 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing van de EU-verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/16087 en AWB 25/16088
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 3 juni 2026 in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. E. Köse),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. den Hollander).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘Arbeid in loondienst’. en tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen. De voorzieningenrechter beoordeelt eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Met het bestreden besluit van 21 juli 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag en de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser had vanaf 2020 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘Arbeid in loondienst’. Hij was van 1 juni 2019 tot en met 31 augustus 2022 werkzaam een supermarkt. Sinds 1 juli 2022 drijft eiser de onderneming ‘[bedrijfsnaam]’. Op zitting heeft eiser verteld dat hij intussen weer in loondienst werkt, namelijk als kabellegger.
2.1.
Verweerder heeft eisers verblijfsvergunning ingetrokken, omdat hij niet meer voldoet aan de beperking waaronder de vergunning is verleend. Eisers verblijfsvergunning was verleend op grond van de Associatieovereenkomst EG-Turkije en Besluit 1/80 [1] . Eisers verworven rechten op grond van het Besluit 1/80 [2] zijn verloren gegaan omdat hij geen arbeid in loondienst meer verrichtte en niet binnen negen maanden weer in loondienst is getreden. Verweerder heeft eisers aanvraag voor een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen, omdat hij niet minimaal vijf jaar zonder onderbreking in Nederland heeft gewoond op basis van een geldige verblijfsvergunning en niet voldoet aan het middelenvereiste. Verweerder ziet geen aanleiding om eiser te horen in bezwaar.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst verzoekt eiser om de gronden van bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen. Ten tweede is het bestreden besluit in strijd met de wet, de vermelde verdragsbepalingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur – specifiek het zorgvuldigheids-, evenredigheids- en motiveringsbeginsel. Ten derde is het bestreden besluit in strijd met artikel 6 van Pro het Besluit 1/80. Eiser heeft namelijk rechten verworven [3] en deze zijn volgens hem niet verloren gegaan toen hij arbeid als zelfstandige ging verrichten. Ten slotte had verweerder eiser moeten horen in bezwaar op grond van het Europees Vestigingsverdrag, artikel 7:2 van Pro de Awb en artikel 6 van Pro het EVRM. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser laten weten de eerder aangevoerde beroepsgronden over artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 en over de duurzame en exclusieve relatie te laten vallen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Besluit 1/80
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat eisers verworven rechten op grond van artikel 6 van Pro het Besluit 1/80 verloren zijn gegaan toen hij uit dienst trad bij de supermarkt en als zelfstandige ging werken en niet binnen negen maanden weer in loondienst is getreden. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [4] volgt namelijk dat eiser geen werknemer meer was in de zin van het Besluit 1/80 toen hij als zelfstandige ging werken. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat een Turkse onderdaan door het verrichten van werkzaamheden als zelfstandige ook kan worden aangemerkt als een tot de legale arbeidsmarkt behorende Turkse werknemer [5] . De gebruikte termen in artikel 6, eerste lid, van Besluit 1/80 (zoals: ‘beroep bij een werkgever’ en ‘arbeid in loondienst’) en in de punten 24 en 25 van het arrest Altun (zoals: ‘arbeidsverhouding’ en ‘dienstbetrekking’ duiden erop dat een Turkse onderdaan die arbeid als zelfstandige verricht juist niet kan worden beschouwd als een Turkse werknemer. Daarbij komt dat het Besluit 1/80 uitdrukkelijk ziet op Turkse werknemers; niet op Turkse zelfstandigen. [6] De enkele stelling van eiser tijdens de zitting dat hij als zelfstandige voor maar een opdrachtgever heeft gewerkt en daar later in dienst is getreden, is onvoldoende om aan te nemen dat hij ondanks zijn positie als zelfstandige moet worden aangemerkt als Turkse werknemer.
5.1.
Uit het voorgaande volgt dat deze rechtsvraag beantwoord kan worden aan de hand van de geldende rechtspraak. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Had verweerder eiser moeten horen?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eisers niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [7] Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder hem had moeten horen op grond van het Europees Vestigingsverdrag. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit het Europees Vestigingsverdrag [8] alleen volgt dat verweerder een vreemdeling [9] moet toestaan om gronden tegen de verwijdering aan te voeren, en niet dat er op verweerder een hoorplicht rust.
Overige beroepsgronden
7. De rechtbank ziet in het in algemene zin herhalen en inlassen van de bezwaargronden geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank kan hieruit namelijk niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Hetzelfde geldt voor de algemene stelling dat het bestreden besluit in strijd is met de wet, verdragsbepalingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [10] .
10. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije.
2.Op grond van artikel 6, eerste lid, derde streepje van het Besluit 1/80.
3.Op grond van artikel 6, eerste lid, derde streepje van het Besluit 1/80.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3183, rechtsoverweging 5.2.
5.Zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80.
6.Zie de considerans.
7.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
8.Artikel 3, tweede lid, van het Europees Vestigingsverdrag.
9.Specifiek een onderdaan van een Verdragsluitende Partij die langer dan de twee voorafgaande jaren rechtmatig op het grondgebied van een Partij heeft gewoond.
10.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.