ECLI:NL:RBDHA:2026:1798

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/09/696699 / KG RK 25-1735
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen kantonrechter wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. N.B. Verkleij, kantonrechter in de rechtbank Den Haag, omdat deze zonder hem te horen had beslist op een verzoek van de Staat tot verplaatsing van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak. Verzoeker stelde dat deze gang van zaken de schijn van partijdigheid wekte, mede omdat de Staat eerder driemaal uitstel had gekregen.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld, waarbij noch verzoeker noch de kantonrechter ter zitting verschenen. De wrakingskamer overwoog dat wraking alleen mogelijk is bij gegronde aanwijzingen van vooringenomenheid of een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Een processuele beslissing kan echter nooit grond voor wraking zijn, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is.

De motivering van de beslissing kan alleen aanleiding geven tot wraking als deze onmiskenbaar blijk geeft van vooringenomenheid, wat hier niet het geval was. Ook het feit dat eerdere uitstel door andere rechters was verleend, doet hieraan niet af. De wrakingskamer concludeerde dat er geen reden is om aan te nemen dat de kantonrechter niet onpartijdig is.

Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter is afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/81
zaak- /rekestnummer: C/09/696699 / KG RK 25-1735
Beslissing van 2 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. N.B. Verkleij,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 24 december 2025;
- de schriftelijke reactie van de kantonrechter van 12 januari 2026;
- het e-mailbericht van verzoeker van 13 januari 2026.
1.2.
Op 19 januari 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Zowel verzoeker als de kantonrechter zijn conform hun bericht niet ter zitting verschenen. Namens de wederpartij in de hoofdzaak is [naam] , als toehoorder, verschenen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 11752745 RL EXPL 25-11147 tussen verzoeker en de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat).
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek en de aanvulling daarop, samengevat het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De kantonrechter heeft op het verzoek van de Staat tot verplaatsing van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak beslist zonder hem daarover te horen. In een eerder stadium is aan de Staat reeds driemaal uitstel verleend. Deze gang van zaken wekt de schijn van partijdigheid.
2.3.
De kantonrechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
De aangevoerde wrakingsgrond ziet op een processuele beslissing van de kantonrechter, te weten de toewijzing van het verzoek van de Staat tot verplaatsing van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak.
3.3.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een processuele beslissing nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de processuele beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er evenzeer tegen dat de motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (vgl. Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). Daarvan is in dit geval evenwel geen sprake. Er is dan ook geen reden om te oordelen dat de kantonrechter vooringenomen is, of niet onpartijdig, of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
3.4.
Dat in de hoofdzaak aan de Staat eerder - door andere rechters van deze rechtbank – driemaal uitstel is verleend voor het indienen van een conclusie van antwoord, laat het voorgaande onverlet.
3.5.
Het wrakingsverzoek zal gelet op hetgeen hiervoor is overwogen worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartij in de hoofdzaak p/a zijn gemachtigde [naam] ;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M. Kramer, M. Rootring en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.J. van Rijswijck en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.