ECLI:NL:RBDHA:2026:17984

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.32000
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 16 mei 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring op aan eiseres op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 16 juni 2026 en opnieuw op 23 juni 2026 nadat de bewaring door de minister was opgeheven wegens het niet tijdig kunnen bewerkstelligen van de overdracht.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. Eiseres voerde aan dat zij vanwege mogelijke mensenhandel niet in bewaring had mogen worden gesteld en dat de minister haar geen bedenktijd had geboden. De rechtbank oordeelde dat er een concreet aanknopingspunt voor Dublinoverdracht bestond en dat de minister geen bedenktijd hoefde te bieden omdat eiseres eerder al de mogelijkheid had gehad om aangifte te doen.

Verder stelde eiseres dat de gronden voor de bewaring niet op haar van toepassing waren vanwege haar kwetsbaarheid en psychische problematiek. De rechtbank vond de gronden, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats, voldoende gemotiveerd en feitelijk juist. Ook het betoog dat een lichter middel had moeten worden toegepast werd verworpen omdat de minister had gemotiveerd waarom dat niet passend was en de medische zorg in detentie toereikend was.

De ambtshalve toetsing door de rechtbank leidde niet tot een ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Eiseres kreeg geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32000

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) [1] opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Daarbij was eiseres aanwezig, bijgestaan door haar toenmalige gemachtigde, mr. A.A. Hardoar. Namens de minister was gemachtigde mr. F.S. Schoot aanwezig. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting geschorst omdat eiseres niet langer bijstand wenste van mr. Hardoar en zij de tolk niet goed kon verstaan. Mr. Hardoar heeft zich onttrokken als gemachtigde.
De minister heeft op 22 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat de overdracht van eiseres niet tijdig bewerkstelligd kon worden.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 opnieuw op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Kon aan eiseres de maatregel van bewaring worden opgelegd?
2. Eiseres betoogt dat zij niet in bewaring gesteld kon worden. Zij heeft namelijk in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat zij is uitgebuit door een man, waarmee sprake is van (mogelijk) mensenhandel. Aan haar diende daarom een bedenktijd geboden te worden en had zij niet in bewaring gesteld mogen worden. Daarbij verwijst eiseres naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. [2]
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Niet in geschil is dat sprake is van een concreet aanknopingspunt voor Dublinoverdracht. Daarmee kon eiseres op grond van artikel 59a van de Vw 2000 [3] in bewaring worden gesteld. Dat eiseres vanwege haar verklaring over uitbuiting niet in bewaring kon worden gesteld, volgt de rechtbank niet. Vast staat dat aan eiseres geen bedenktijd is geboden en naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deze ook niet hoeven bieden. Eiseres heeft al eerder, tijdens een gehoor ten behoeve van een inbewaringstelling in 2024, verklaard over mogelijk misbruik. Toen is de bewaring niet opgelegd en is haar de mogelijkheid geboden om aangifte te doen van mensenhandel. Daarvan heeft eiseres geen gebruik gemaakt. Er bestaat geen reden om van de minister te verlangen nu weer een bedenktijd aan te bieden.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring voldoende dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), [4] als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.1.
Eiseres voert aan dat de gronden niet aan haar kunnen worden tegengeworpen. Zij is namelijk kwetsbaar, gelet op haar psychische problematiek.
3.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Dat eiseres psychische problemen heeft, doet niet af aan de feitelijke juistheid van de gronden. Verder heeft de minister bij de lichte gronden ook voldoende gemotiveerd dat hierdoor sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Zowel de zware als de lichte gronden kunnen daarom aan de maatregel ten grondslag worden gelegd, en zijn voldoende om de maatregel te kunnen dragen. [5]
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiseres betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat zij een kwetsbaar persoon is. Eiseres heeft namelijk psychische en lichamelijke klachten.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in de maatregel voldoende gemotiveerd waarom aan eiseres geen lichter middel wordt opgelegd. Daarbij zijn de medische omstandigheden van eiseres betrokken en heeft de minister erop gewezen dat de als eiseres medische zorgverlening nodig heeft, deze aanwezig is in het detentiecentrum en dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Het is niet gebleken dat deze zorg voor eiseres niet toereikend is (geweest).
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zoals deze luidde vóór 12 juni 2026.
2.Rb. Den Haag, zp. Amsterdam, 5 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5834.
3.Zoals deze luidde vóór 12 juni 2026.
4.Zoals deze luidde vóór 12 juni 2026.
5.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
6.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.