ECLI:NL:RBDHA:2026:1800

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
C/09/697074 / KG RK 26-3
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6 lid 2 EVRMArt. 8 EVRMArt. 39 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens ontbreken objectieve schijn van partijdigheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in een civiele zaak, stellende dat de rechter voorafgaand aan de beslissing een oordeel had gevormd, waardoor sprake zou zijn van schijn van partijdigheid in strijd met artikel 6 EVRM Pro.

De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en overwogen dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen bijzondere omstandigheden een grond voor wraking kunnen vormen. Een voorlopig oordeel van de rechter tijdens de zitting, na toepassing van hoor en wederhoor, vormt op zichzelf geen reden voor wraking.

De rechter had haar voorlopig oordeel pas aan het einde van de zitting gegeven, nadat alle partijen en de Raad voor de Kinderbescherming hun standpunten hadden toegelicht. Verzoeker heeft de rechter onderbroken en gewraakt voordat een volledige motivering kon volgen.

De wrakingskamer concludeert dat er geen objectieve schijn van partijdigheid bestaat en dat het verzoek daarom wordt afgewezen. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van objectieve schijn van partijdigheid.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/82
zaak- /rekestnummer: C/09/697074 / KG RK 26-3
Beslissing van 2 februari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat mr. R. Tetteroo te Rotterdam,
strekkende tot de wraking van
mr. S.J. Hoekstra-Van Vliet,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal wraking van 30 december 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld, met als bijlage de zittingsaantekeningen van de griffier van de zitting van voornoemde datum;
- de (ongedateerde) schriftelijke reactie van de rechter;
- het e-mailbericht van (de advocaat van) verzoeker van 14 januari 2026.
1.2.
Op 19 januari 2026 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door mr. R. Tetteroo;
- de rechter;
- namens de wederpartij in de hoofdzaak [naam] , als toehoorder.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer
C/09/696059 / KG ZA 25-1232 tussen [wederpartij in de hoofdzaak] en verzoeker.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal wraking het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd:
“(…) ik ben het er niet mee eens dat u al op voorhand te kennen geeft dat onbegeleide omgang voorlopig geen optie is. U kan niet zomaar een oordeel geven zonder naar alle stukken van de zaak te kijken. U dient de zaak eerst af te wegen voordat u een beslissing neemt. Want anders is er schijn van partijdigheid en dat is in strijd met de wet (artikel 6 en Pro artikel 6 lid 2 EVRM Pro). En ik beroep mij ook op artikel 8 EVRM Pro”.
2.3.
In de nadere toelichting stelt verzoeker - samengevat - dat de handelswijze en de uitlatingen van de rechter objectief de indruk hebben gewekt dat het oordeel reeds vaststond.
2.4.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Een tijdens de zitting door de rechter gegeven voorlopig oordeel over het geschil, dan wel een onderdeel daarvan, kan in beginsel geen grond voor wraking vormen. Wraking is namelijk geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van een voorlopig oordeel. Daarnaast geldt het volgende.
3.3.
Het staat een rechter tijdens een zitting vrij om partijen voor te houden wat de rechter tot dan toe uit de processtukken en hetgeen hierover ter zitting is toegelicht, heeft afgeleid. Partijen hebben er ook belang bij te vernemen hoe de rechter tegen de zaak aankijkt en wat haar opvattingen zijn, zodat zij voordat vonnis wordt gewezen nog eventuele misvattingen kunnen corrigeren en/of hun argumenten kunnen aanscherpen. Deze handelwijze geeft blijk van een onderzoekende en transparante houding van de rechter en dient hoor en wederhoor. Dat het in dit geval anders zou zijn omdat de rechter het debat zou hebben afgekapt, volgt de wrakingskamer niet. Tijdens de zitting van dit wrakingsverzoek heeft de rechter – onweersproken – verklaard dat zij ter voorbereiding op de zitting alle processtukken heeft bekeken. Uit de zittingsaantekeningen blijkt dat de rechter haar voorlopig oordeel aan het eind van de zitting heeft gegeven, nadat partijen, hun advocaten en de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming hun standpunten naar voren hebben gebracht en hebben toegelicht. De rechter heeft haar voorlopig oordeel in begrijpelijke taal kenbaar gemaakt. Tot een motivering voor dat voorlopig oordeel is het niet meer gekomen, omdat verzoeker de rechter heeft onderbroken en gewraakt. Uit het moment en de wijze waarop de rechter haar voorlopig oordeel heeft gegeven blijkt niet dat de rechter vooringenomen of partijdig is, of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Het voorlopig oordeel is nu juist gevormd door wat de rechter van partijen en de Raad voor de Kinderbescherming na toepassing van hoor en wederhoor heeft vernomen.
3.4.
Verder is van belang dat niet is vast te stellen dat partijen, zoals verzoeker veronderstelt, niet in de gelegenheid zouden worden gesteld te onderzoeken of zij nog tot overeenstemming konden komen, omdat verzoeker de rechter voor het sluiten van het onderzoek gewraakt heeft.
3.5.
Het wrakingsverzoek zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker p/a zijn advocaat mr. R. Tetteroo;
• de wederpartij p/a haar advocaat [naam] ;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M. Kramer, M. Rootring en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.M.J. van Rijswijck en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.