ECLI:NL:RBDHA:2026:1800
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek rechter wegens ontbreken objectieve schijn van partijdigheid
Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in een civiele zaak, stellende dat de rechter voorafgaand aan de beslissing een oordeel had gevormd, waardoor sprake zou zijn van schijn van partijdigheid in strijd met artikel 6 EVRM Pro.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en overwogen dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn en dat alleen bijzondere omstandigheden een grond voor wraking kunnen vormen. Een voorlopig oordeel van de rechter tijdens de zitting, na toepassing van hoor en wederhoor, vormt op zichzelf geen reden voor wraking.
De rechter had haar voorlopig oordeel pas aan het einde van de zitting gegeven, nadat alle partijen en de Raad voor de Kinderbescherming hun standpunten hadden toegelicht. Verzoeker heeft de rechter onderbroken en gewraakt voordat een volledige motivering kon volgen.
De wrakingskamer concludeert dat er geen objectieve schijn van partijdigheid bestaat en dat het verzoek daarom wordt afgewezen. Het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens ontbreken van objectieve schijn van partijdigheid.