ECLI:NL:RBDHA:2026:18008

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 23/2679
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AWRArt. 110 VWEUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 6 EVRMArt. 267 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag bpm na bezwaar en beroep wegens onjuiste waardering en toepassing Unierecht

Eiser diende bezwaar en beroep in tegen een naheffingsaanslag bpm opgelegd door de Belastingdienst voor een gebruikte Mercedes-Benz E-klasse uit België. De naheffingsaanslag werd gebaseerd op een taxatierapport en een controle door Domeinen Roerende Zaken (DRZ), waarbij eiser betwistte dat de controle en naheffing rechtmatig waren en dat de waardering correct was.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht kon worden nageheven ondanks het feit dat het belastbare feit (registratie in Nederland) zich had voorgedaan, en dat de controle door DRZ als deskundige niet onrechtmatig was. Wel werd de naheffingsaanslag verminderd met €398 vanwege een te laag gehanteerd afschrijvingspercentage. De rechtbank verwierp het beroep op het Unierecht dat naheffing na het belastbare feit zou zijn uitgesloten en oordeelde dat de Scandinavische rekenmethode niet verplicht was.

Verder wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, maar kende zij een proceskostenvergoeding toe van €2.534 plus griffierecht en wettelijke rente. De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak op bezwaar en treedt in de plaats daarvan.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot €5.411 en de Belastingdienst wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding, terwijl het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/2679

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 29 september 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 5.809. Er is daarbij geen belastingrente in rekening gebracht.
Eiser heeft daartegen op 20 december 2022 bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 maart 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd en het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij beschouwt verweerder het bezwaar van eiser als verzoek om een ambtshalve vermindering.
Eiser heeft daartegen op beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
mrs. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft een aangifte bpm ingediend, met dagtekening 21 april 2022, met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Mercedes-Benz E-klasse uit België met een voertuigidentificatienummer eindigend op [nummer] (hierna: de auto). De registratie is op 20 mei 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken
[kenteken] . De auto is op 21 april 2022 goedgekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
26-08-2020
CO2-uitstoot
197 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 55.180
Bruto bpm
€ 18.250
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 79.417
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 11.965
Verschuldigde bpm
€ 2.748
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van Haaglanden Expertise, door [naam 4] ondertekend. Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 14 maart 2022 tussen 14:00 en 14:30 uur te Den Haag. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 37.532 (waarde herleid aan de hand van de koerslijst X-Ray) en dat van die waarde een deel van de reparatiekosten is afgetrokken, die zijn bepaald op € 20.416,91 inclusief btw. Bij het taxatierapport is geen inkoopfactuur of inkoopverklaring van de auto gevoegd.
4. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 29 april 2022 bekeken door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die gedeeltelijk afwijken van de gegevens in de aangifte.
Datum eerste toelating
26-08-2020
CO2-uitstoot
170 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 53.480
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 77.360
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 39.827 (
koerslijst X-Ray)
Bruto schadecalculatie
€ 4.930
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 3.550
Handelsinkoopwaarde
€ 36.277
5. Bij brief van 3 augustus 2022 heeft verweerder aan eiser zijn voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen voor de auto. Uitgaande van de gegevens van DRZ, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 8.557. Na aftrek van de bpm die op aangifte is voldaan (€ 2.748), resteert een te betalen bedrag van € 5.809. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Op 7 september 2022 heeft verweerder eiser medegedeeld een naheffingsaanslag op te zullen gaan leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
Geschil
6. Ter zitting verdedigde eiser zijn standpunt dat verweerder het bezwaar tegen de naheffingsaanslag ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Vaststaat dat ruim buiten de termijn van zes weken bezwaar is gemaakt. Eiser stelt dat de naheffingsaanslag pas is ontvangen op 14 december 2022.
7. Volgens verweerder was de originele naheffingsaanslag eerder verstuurd. Verweerder erkent dat er geen acht is geslagen op de mailwisseling tussen eiser en verweerder en trekt zijn standpunt over de niet-ontvankelijkheid in.
8. De rechtbank heeft om proceseconomische redenen besloten om de zaak niet terug te verwijzen naar verweerder en de zaak inhoudelijk te behandelen.
9. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
10. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd;
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiser acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd;
De rechten van eiser, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
Het onderzoek door DRZ kan niet aan een naheffing ten grondslag worden gelegd nu deze dienst niet onafhankelijk is;
Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag;
Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;
Verweerder had gebruik moeten maken van de Scandinavische rekenmethode. Eiser verwijst daarvoor naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:1963);
Eiser heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten.
Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiser concludeert subsidiair tot vermindering van de naheffingsaanslag. Daarnaast verzoekt eiser om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
11. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
12. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

De belastingcontrole door verweerder (grief a)
13. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiser, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.
14. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eisers aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU Pro is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
15. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiser in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiser dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.

De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief b)

16. Eiser heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van Pro het VWEU. Eiser heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiser evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiser niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiser genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
17. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiser dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiser in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief c)
18. Eiser stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiser bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiser is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiser in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
19. In het onderhavige geval heeft eiser met dagtekening 3 augustus 2022, respectievelijk 7 september 2022, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiser kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eisers rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan nier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief d)20. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt – brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De onafhankelijkheid van de DRZ (grief e)
21. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrij staat om voor de door hem noodzakelijk geachte controle een door hem te kiezen deskundige in te schakelen. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van de gekozen taxateur, terwijl er evenmin aanleiding kan worden gevonden om vanwege de werkwijze van de DRZ geen of minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. De rechtbank volgt eiser daarom niet in diens betoog dat de rapportage van DRZ niet aan de bestreden naheffingsaanslag ten grondslag kan worden gelegd. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1676).
Het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage (grief f)
22. Eiser heeft betoogd dat het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent te laag is.
23. Verweerder heeft het afschrijvingspercentage van 53,11% in het onderhavige geval ontleend aan de nacontrole door DRZ. Eiser verdedigt een afschrijvingspercentage van 60,50% en baseert zich daartoe op de aanname dat verweerder de onjuiste historische nieuwprijs heeft gehanteerd in zijn berekeningen. Verweerder past in zijn berekeningen een historische nieuwprijs van € 52.908 toe. Dit had het bedrag van € 55.698 moeten zijn. Het afschrijvingspercentage zou dus hoger moeten komen te liggen, aldus eiser.
24. Eiseres stelt dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden met € 398 en heeft daarvoor een rekenkundige invulling gegeven. De rechtbank acht deze berekening juist en neemt deze over. De grief van eiseres slaagt. De naheffingsaanslag wordt verminderd met
€ 398 tot een bedrag van € 5.411.
De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief g)
25. Het door eiser bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020, nadien gewijzigd per 1 januari 2022). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiser te volgen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
De Scandinavische rekenmethode (grief h)
26. Eiser heeft betoogd dat verweerder bij de vaststelling van de omvang van de CO²-uitstoot van de auto gebruik had moeten maken van de zogenaamde ‘Scandinavische berekeningsmethode’. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uitgangspunt bij de bepaling van de CO²-uitstoot vormt artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm. Het eerste en tweede lid van dit artikel luiden als volgt (tekst 2025).
1Voor de toepassing van
artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de wetblijkt de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer uit het kentekenregister.
2Indien de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer niet blijkt uit het kentekenregister blijkt de CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:
a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in
artikel 22 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven: de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in
artikel 26 van Pro de Wegenverkeerswet 1994;
c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring van de auto, waarbij de CO2-uitstoot is gemeten overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften;
d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de CO2-uitstoot van de auto blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.
27. Uit de redactie van deze bepaling blijkt dat voor de vaststelling van de uitstoot sprake is van een rangorde, waarbij aan een methode eerst wordt toegekomen indien de eerdergenoemdemethodes niet tot een vaststelling hebben kunnen leiden.
28. In het onderhavige geval dient daarom met toepassing van het eerste lid het kentekenregister in het land van de eerste toelating als leidend te worden beschouwd. Bij gebreke aan de gegevens uit het kentekenregister dient in eerste instantie te worden teruggevallen aan een typegoedkeuring te ontlenen gegevens en daarna indien nodig op het zogenaamde ‘Certificaat van overeenstemming’. Voorts dient te worden bezien of een testrapport van de betreffende auto soelaas biedt. Indien dat allemaal niet het geval is, zijn de onder d genoemde metingen aan de orde. Niet valt uit te sluiten dat de door eiser verdedigde Scandinavische rekenmethode voldoet aan de onder d vermelde voorwaarden, maar dat is eerst aan de orde indien toetsing aan de bronnen, genoemd onder a, b en c, geen resultaat heeft opgeleverd. Daarnaast bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat de uitstootwaardes die in de eerste drie bronnen zijn weergegeven zijn gebaseerd op deze berekeningsmethode. Ook dan kan de Scandinavische rekenmethode leiden tot de voor de vaststelling van de bpm te hanteren CO²-uitstoot van de auto. Voor de door eiser gewenste toepassing van de methode in alle gevallen wanneer dit tot een voor de belastingplichtige gunstiger is, biedt de wet echter geen ruimte. Voor de conclusie dat deze bewijsregels kunnen leiden tot een uitkomst die onverenigbaar is met artikel 110 VWEU Pro ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief i)29. Eiser heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie30. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding
31. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van deze zaak.
32. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer
19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan belanghebbende betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
33. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
34. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 6 november 2025 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om een immateriële schadevergoeding toe te kennen en sluit zich aan bij overweging 39 van de uitspraak van rechtbank Gelderland van 9 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5453:
“39. (…) Belanghebbende heeft zijn stelling met betrekking tot het door hem voorgestane bedrag aan terug te geven BPM niet cijfermatig onderbouwd en op grond van de stukken van het geding is niet te beoordelen of sprake is van een financieel belang van € 1.000. In dit geval ligt het op de weg van de belanghebbende die om een vergoeding van immateriële schade heeft verzocht, de feiten te stellen, en in geval van betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de omvang van dit financiële belang kan worden vastgesteld, zo nodig door middel van schatting (Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.3.5.). Belanghebbende heeft hiervoor niets gesteld. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat geen sprake is van financieel belang van € 1.000 of meer. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende diverse stellingen heeft ingenomen waarbij de feitelijke grondslag ontbreekt of de stelling op geen enkele wijze concreet is onderbouwd. Dat in een aantal zaken de redelijke termijn met meer dan 12 maanden is overschreden leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds opgemerkt heeft de gemachtigde grote hoeveelheden zaken met veelal gelijkluidende beroepsgronden aangebracht. Bovendien hebben deze beroepsgronden veelal een algemeen karakter. Zij zijn dus vaak niet van toepassing op zaak waarin zij worden aangevoerd. Daar komt dan bij dat belanghebbende niets heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat sprake is van een financieel belang van € 1.000 of meer. Laat staan dat hij heeft onderbouwd dat en zo ja, tot welk bedrag, zij immateriële schade heeft geleden. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, ook al is de redelijke termijn met meer dan 12 maanden overschreden, niet of nauwelijks sprake van spanning en frustratie. Zij volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.”
35. Nu de overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot een toe te kennen vergoeding voor immateriële schade, is een (integrale) vergoeding van proceskosten niet aan de orde. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 (ECLI:NL:HR:2024:567) bestaat in dit geval ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.
Proceskosten en griffierecht
36. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiser recht op vergoeding van proceskosten.
37. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijke kosten die hij ter zake van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Verweerder is het met dit laatste niet eens. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Een hogere dan forfaitaire vergoeding kan slechts worden toegepast indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank volgt eiseres ook niet in zijn standpunt dat aan artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, omdat een forfaitaire vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) niet passend zou zijn. Derhalve is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitaire proceskosten als bedoeld in het Bpb.
38. De proceskosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.534. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,
1. punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1.
39. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht van € 184 vergoeden. Eiseres heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het griffierecht. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiseres wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 5.411;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treeft van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.534, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
23 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).