ECLI:NL:RBDHA:2026:18009

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/9314
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet bpmArt. 8 Uitvoeringsregeling bpmArt. 110 VWEUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieECLI:NL:HR:2019:393
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen naheffingsaanslag bpm voor gebruikte importauto

JD Services B.V. heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd door de Belastingdienst voor een gebruikte Maserati Gran Turismo geïmporteerd uit Koeweit. De naheffingsaanslag bedroeg €4.525, zonder belastingrente. De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport van eiseres onvoldoende voldoet aan de wettelijke eisen, met name door het ontbreken van een aankoopfactuur of -verklaring en onvoldoende onderbouwing van schadeposten.

De rechtbank verwerpt de stellingen van eiseres dat de naheffingsaanslag in strijd is met artikel 110 VWEU Pro en dat het griffierecht de toegang tot de rechter belemmert. Ook is geen sprake van schending van het hoorrecht of het verdedigingsbeginsel. De toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel door verweerder wordt als rechtmatig beoordeeld.

De rechtbank constateert dat de redelijke termijn voor de procedure niet is overschreden en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag bpm wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9314

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

JD Services B.V., gevestigd te Bergschenhoek, eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 28 juni 2024 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 4.525. Er is daarbij geen belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 5 november 2024 het bezwaar ongegrond verklaard en geen proceskosten vergoed.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 27 februari 2024, voor de registratie van een gebruikte Maserati Gran Turismo uit Koeweit, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: de auto), in het kentekenregister. De registratie is op 9 april 2024 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken
[kenteken] . De auto is op 7 februari 2024 gekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.
Datum eerste toelating
30-06-2013
CO2-uitstoot
312 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 100.668
Bruto bpm
€ 67.218
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 198.945
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 10.710
Verschuldigde bpm
€ 3.616
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van S.E.K Automotive Solutions en ondertekend door [naam 4] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op
1 februari 2024 tussen 12:30 en 13:00 uur te Rotterdam. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 35.280 (herleid aan de hand van drie referentievoertuigen) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 21.875,64, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. Verweerder verwerpt het taxatierapport van eiseres, met de reden dat het rapport niet voldoet aan artikel 10 Wet Pro bpm jo. artikel 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling bpm. Bij het rapport is namelijk geen inkoopfactuur of inkoopverklaring bijgevoegd. Daarnaast heeft de taxateur niet onderbouwd hoe tot de handelsinkoopwaarde is gekomen en is er op de foto’s van de auto geen of slechts heel beperkte schade te zien, aldus verweerder. Verweerder heft na met behulp van de forfaitaire afschrijvingstabel.
5. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 6 maart 2024 bekeken door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte.
Datum eerste toelating
30-06-2013
CO2-uitstoot
312 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 100.668
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 198.945
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 24.420 (
referentievoertuigen)
Bruto schadecalculatie
€ 1.047
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 325
Handelsinkoopwaarde
€ 24.095
5. Bij brief van 7 mei 2024 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de gegevens van DRZ, (zij het wel nog rekening houdend met een nadere vermindering van de handelsinkoopwaarde tot € 24.095 in verband met vastgestelde schade van € 325), heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 8.140. Na aftrek van de voldane bpm (€ 3.616), resteert een te betalen bedrag van € 4.524. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiseres op 4 juni 2024 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiseres ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
De verplichting tot het betalen van griffierecht voorafgaande aan de behandeling van het beroep leidt tot een onevenredige belemmering van eiseres rechten.
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiseres, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
Verweerder heeft het door eiseres gehanteerde taxatierapport onterecht verworpen;
Verweerder heeft onterecht de forfaitaire tabel van juli 2023 toegepast op voertuigen met een eerdere datum eerste toelating. Dat is in strijd met artikel 110 VWEU Pro;
Eiseres heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Subsidiair concludeert eiseres tot vermindering van de naheffingsaanslag. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
De schending van artikel 110 VWEU Pro (grief a)
10. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto is geïmporteerd vanuit Koeweit. Nu Koeweit geen lidstaat van de Europese Unie is, is artikel 110 VWEU Pro niet van toepassing.
De verplichting tot het betalen van griffierecht (grief b)
11. Het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiseres.
12. De Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht is niet van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. De rechtbank betrekt in het oordeel dat ter zake van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan kan worden indien de heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. De klachten van eiseres over het griffierecht, mede omvattend het vooraf betalen daarvan, treffen daarom geen doel.
De verplichting eiseres te horen naar aanleiding van het bezwaarschift (grief c)
13. Verweerder heeft (de gemachtigde) van eiseres uitgenodigd voor een hoorgesprek. Op 10 maart 2023 heeft er een telefonisch hoorgesprek plaatsgevonden. Het hoorverslag is als bijlage bij het verweerschrift gevoegd. De rechtbank komt tot het oordeel dat eiseres in de bezwaarfase gebruik heeft gemaakt van het recht gehoord te worden, wat ertoe leidt dat de hoorplicht derhalve niet is geschonden. De grief faalt.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief d)
14. Eiseres stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiseres daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiseres bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiseres nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiseres is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiseres in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
15. In het onderhavige geval heeft eiseres met dagtekening 7 mei 2024, respectievelijk 4 juni 2024, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiseres in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiseres kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eiseres’ rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan nier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiseres naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag
.Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief e)16. Zoals de rechtbank onder 10 heeft overwogen, is artikel 110 VWEU Pro niet van toepassing in deze zaak. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt – brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De aan het taxatierapport van eiseres toe te kennen belang (grief f)
17. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder het bij de aangifte gevoegde taxatierapport ten onrechte heeft verworpen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Daartoe is redengevend dat het taxatierapport niet voldoet aan de daaraan in de Uitvoeringsregeling bpm gestelde eisen (artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling in samenhang met de Bijlage bij de Uitvoeringsregeling), nu geen aankoopfactuur of aankoopverklaring van de auto is bijgevoegd. Ook zijn de gestelde schadeposten niet inzichtelijk en aannemelijk gemaakt. Ook de beperkte tijdsduur waarin de controle heeft plaatsgevonden komt de rechtbank onaannemelijk voor. Eiseres heeft geen bescheiden overgelegd die de schadeposten onderbouwen, en ook nadien later in de procedure alsnog ingebracht. Reeds daarom komt aan het taxatierapport niet de betekenis toe die eiseres daaraan toegekend wenst te zien.
De forfaitaire tabel van 2023 (grief g)
18. Verweerder heeft de forfaitaire tabel van juli 2023 toegepast op voertuigen met een eerdere toelating en handelt daarmee – zo heeft eiseres gesteld – in kennelijke strijd met artikel 110 VWEU Pro (Hof van Justitie, 16 november 2023, EU:C:2023:888, dictum). Verweerder heeft de juistheid van het standpunt van eiseres betwist. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Het wettelijke stelsel biedt de mogelijkheid om via verschillende wegen de afschrijving van voertuigen, en daarmee de vermindering van de bpm, te bepalen. Eén van die wegen is toepassing van de forfaitaire tabel. Dit wettelijke systeem is in overeenstemming met artikel 110 VWEU Pro.
19. Het staat de wetgever in beginsel vrij om een nieuwe tabel in te laten gaan op een door de wetgever zelf te bepalen tijdstip mits daarbij het Unierecht wordt geëerbiedigd. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval, eiseres heeft haar standpunt niet cijfermatig noch anderszins onderbouwd en de rechtbank is ook ambtshalve niet van de juistheid daarvan gebleken. Daarbij geldt dat deze tabel op alle voertuigen betrekking heeft, binnenlandse en vanuit een andere lidstaat ingevoerde voertuigen. Van een zwaardere belastingheffing die tot discriminatie zou kunnen leiden voor een uit een lidstaat in te voeren voertuig is niet gebleken. In zoverre faalt het beroep.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief h)20. Eiseres heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, wanneer een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van eiseres te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie21. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Beoordeling vergoeding immateriële schade
22. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met de lange afhandelingsduur van haar bezwaar- en beroepsprocedure tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag.
23. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.
24. Het bezwaarschrift is ontvangen op 15 juli 2024, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 5 november 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 29 juni 2026, zodat in deze zaak de redelijke termijn niet is overschreden.
25. Nu de redelijke termijn niet is overschreden, is er geen aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de immateriële schade.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).