ECLI:NL:RBDHA:2026:18025
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening
De zaak betreft een bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister om de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht te beëindigen. De LVV bood opvang en begeleiding aan vreemdelingen zonder verblijfsrecht. De minister heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen procesbelang meer heeft, aangezien hij geen gebruik meer maakt van de LVV.
De rechtbank bevestigt dat procesbelang vereist is voor ontvankelijkheid van een bezwaar. Eiser heeft inmiddels een verblijfsvergunning gekregen, waardoor hij niet langer afhankelijk is van de LVV-opvang. Hij kan bij de gemeente andere vormen van ondersteuning aanvragen, zoals woonruimtebemiddeling en bijstand. Er is geen aanwijzing dat deze mogelijkheden niet worden benut.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar daarom geen feitelijke betekenis meer heeft en verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn nog niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.