ECLI:NL:RBDHA:2026:18053

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26268
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 Richtlijn 2013/33/EUBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding

Eiseres verbleef sinds 1 februari 2026 in vreemdelingenbewaring en diende op 3 februari 2026 een asielaanvraag in. Verweerder legde op 4 februari 2026 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) vast. Na afwijzing van het asielverzoek op 20 februari 2026 verlengde verweerder de bewaring met ten hoogste drie maanden, maar baseerde zich daarbij onterecht op een grondslag die hij op 18 februari 2026 had ingetrokken.

De rechtbank overweegt dat de wettelijke grondslag voor bewaring op basis van artikel 59b, eerste lid, onder b, Vw, uitsluitend geldt gedurende de behandeling van het asielverzoek. Na afwijzing van het verzoek kan deze grondslag niet meer worden gebruikt voor vrijheidsontneming. Hierdoor was de verlenging van de bewaring onrechtmatig vanaf 27 maart 2026, het moment na het sluiten van het onderzoek in een eerdere procedure.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent eiseres een schadevergoeding toe van €6.600,- voor 55 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens worden de proceskosten van €1.868,- aan eiseres toegekend. De uitspraak is definitief en er staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring onrechtmatig was vanaf 27 maart 2026 en kent een schadevergoeding van €6.600,- toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26268

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.T.V. Le),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Verweerder heeft op 4 februari 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Erarslan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het onderzoek ter zitting is aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen een vraag van de rechtbank te beantwoorden. Dit heeft verweerder dezelfde dag, op 20 mei 2026, gedaan. Eiseres heeft ook op dezelfde dag gereageerd.
Verweerder heeft op 20 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft op 26 mei 2026 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel
2. Eiseres voert aan dat in het asielbesluit van 20 februari 2026 de maatregel van bewaring ten onrechte is verlengd met ten hoogste drie maanden. Dit maakt het voortduren van de bewaring volgens haar onrechtmatig met ingang van 24 februari 2026. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op schadevergoeding vanaf die datum.
2.1.
Eiseres verbleef sinds 1 februari 2026 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiseres heeft op 3 februari 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft een dag later, op 4 februari 2026, de wettelijke grondslag voor de bewaring omgezet naar artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Aanvankelijk had verweerder de maatregel ook gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, maar die laatste grond heeft verweerder op de zitting van de rechtbank op 18 februari 2026 ingetrokken. Bij beschikking van 20 februari 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres als kennelijk ongegrond afgewezen. In dat besluit is tevens besloten de bewaring van eiseres op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw met ten hoogste drie maanden te verlengen. Ter motivering hiervan is verwezen naar de maatregel van 4 februari 2026 en de daarin opgenomen grondslag voor de bewaring van artikel 59b, eerste lid, onder c, van de Vw.
2.2.
De rechtbank overweegt dat door de intrekking door verweerder van de grondslag van artikel 59b, eerste lid, onder c, van de Vw op de zitting van de rechtbank op 18 februari 2026, ervan moet worden uitgegaan dat deze grond niet aan de maatregel ten grondslag heeft gelegen. De bewaring van eiseres was dus enkel gegrond op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. In de uitspraken van 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1710 en 4 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:230, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) overwogen dat uit de bewoordingen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn), “om gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek […]”, volgt dat deze grondslag uitsluitend bedoeld is voor de duur van de behandeling van het asielverzoek, tot aan de beslissing daarop door verweerder. Deze uitleg vindt volgens de Afdeling ook steun in de omzetting door de wetgever van deze bepaling in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Uit de bewoordingen “[…] gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag […]” blijkt immers nog duidelijker dat artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn, dat is omgezet in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, niet geschikt is als grondslag voor vrijheidsontneming na afwijzing van het asielverzoek door de verweerder.
2.3.
Uit deze jurisprudentie volgt dat de wettelijke grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, vanaf het moment dat de asielaanvraag van eiseres was afgewezen niet langer door verweerder aan de maatregel van bewaring ten grondslag kon worden gelegd. Nu de maatregel van bewaring van 4 februari 2026 enkel was gegrond op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw, brengt het voorgaande mee dat de bewaring van eiseres niet op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw had kunnen worden verlengd.
Schadevergoeding en de te beoordelen periode
3. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van 2 april 2026 (in de zaak NL26.15558) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt (op 26 maart 2026), rechtmatig was.
4. Dit betekent dat de periode waarin eiseres op grond van de maatregel van 4 februari 2026 in bewaring heeft gezeten al rechterlijk is getoetst tot 26 maart 2026. De daarover gedane uitspraken hebben formele rechtskracht gekregen. Deze rechtskracht kan in deze procedure niet worden doorbroken. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring in deze procedure slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in het vorige vervolgberoep op 26 maart 2026.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is en de maatregel van bewaring met ingang van 27 maart 2026 onrechtmatig was. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.
6. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 55 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 55 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 6.600,-.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 6.600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.