ECLI:NL:RBDHA:2026:18053
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring en toekenning schadevergoeding
Eiseres verbleef sinds 1 februari 2026 in vreemdelingenbewaring en diende op 3 februari 2026 een asielaanvraag in. Verweerder legde op 4 februari 2026 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) vast. Na afwijzing van het asielverzoek op 20 februari 2026 verlengde verweerder de bewaring met ten hoogste drie maanden, maar baseerde zich daarbij onterecht op een grondslag die hij op 18 februari 2026 had ingetrokken.
De rechtbank overweegt dat de wettelijke grondslag voor bewaring op basis van artikel 59b, eerste lid, onder b, Vw, uitsluitend geldt gedurende de behandeling van het asielverzoek. Na afwijzing van het verzoek kan deze grondslag niet meer worden gebruikt voor vrijheidsontneming. Hierdoor was de verlenging van de bewaring onrechtmatig vanaf 27 maart 2026, het moment na het sluiten van het onderzoek in een eerdere procedure.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent eiseres een schadevergoeding toe van €6.600,- voor 55 dagen onrechtmatige bewaring. Tevens worden de proceskosten van €1.868,- aan eiseres toegekend. De uitspraak is definitief en er staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring onrechtmatig was vanaf 27 maart 2026 en kent een schadevergoeding van €6.600,- toe.