ECLI:NL:RVS:2021:230
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- D.A. Verburg
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling onrechtmatig in bewaring na afwijzing asielaanvraag als kennelijk ongegrond
De vreemdeling werd op 12 november 2020 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Na afwijzing van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond op 8 december 2020, werd de bewaring met maximaal drie maanden verlengd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de wettelijke grondslag voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, alleen geldt tijdens de behandeling van het asielverzoek. Na afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond kan deze grondslag niet meer worden gebruikt.
De rechtbank had niet onderkend dat de bewaring vanaf 9 december 2020 onrechtmatig was. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en kende de vreemdeling een schadevergoeding van € 2.800 toe voor de periode van 9 december 2020 tot 13 januari 2021. Tevens werden proceskosten van € 1.068 aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling na afwijzing van zijn asielaanvraag was onrechtmatig en hij krijgt een schadevergoeding toegekend.