Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
hierna te noemen de Raad,
de vaderaan als belanghebbende in de zaak van de Raad.
hierna te noemen de gecertificeerde instelling.
1.Het verdere verloop van de procedure
- [naam 1] namens de Raad;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
2.De verzoeken
Desgevraagd heeft de vader tijdens de zitting toegelicht dat de bijlage bij zijn e-mail van
1 mei 2026, betiteld als pleitnotitie, leidend is. Uit het daarin genoemde petitum volgt dat de vader aan de rechtbank verzoekt om [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling te stellen. Daarnaast noemt hij nog zes verzoeken die zien op de uitvoering van de ondertoezichtstelling, waaronder (wat de vader betreft) een uithuisplaatsing van [minderjarige] . Ter zitting heeft de vader toegelicht dat het zijn bedoeling is dat deze verzoeken zouden worden overgenomen door de gecertificeerde instelling, dan wel de Raad, omdat de vader die verzoeken op dit moment niet kan doen.
adviesaan de rechtbank (op verzoek van de kinderrechter) maar de Raad doet geen verzoek. Om die reden wordt het verzoekschrift ingetrokken.
3.De standpunten
4.De beoordeling
De rechtbank constateert dat met name de vader anders denkt over wat er nodig is om het contact te kunnen herstellen. Dat komt door zijn visie op de toedracht van de contactbreuk, namelijk dat sprake is van psychische mishandeling: ouderverstoting onder psychische druk van de moeder. Vanuit die visie heeft de vader moeite om mee te werken aan hulpverlening die daarop niet acteert en in zijn ogen zelfs meer kwaad dan goed doet. De rechtbank begrijpt dat het voor de vader moeilijk is dat [minderjarige] beschuldigingen tegen hem heeft geuit over hem en een beleving van hem heeft waar de vader zich niet in herkent. De rechtbank heeft de indruk dat, naast het gemis van het contact, het voor de vader onverdraaglijk is dat [minderjarige] met dit beeld van hem opgroeit, wat ook invoelbaar is. De rechtbank wil de vader echter voorhouden dat zijn handelen – vanuit een gevoel van onmacht – de situatie nu juist lijkt te verharden en te verslechteren, in het bijzonder tussen hem en [minderjarige] . In die zin is het de vader die op dit moment (onbewust) psychische druk op [minderjarige] uitoefent. Hij gaat daarbij over haar grenzen heen. Daarom is er op dit moment geen ruimte bij [minderjarige] om toenadering te zoeken, dan wel hulp te accepteren om contactherstel te bewerkstelligen. Evenals de Raad heeft de rechtbank de indruk dat de oplossing in eerste instantie ligt bij het normaliseren van het contact tussen de ouders, buiten [minderjarige] om. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat totdat [minderjarige] bijna elf jaar was door de ouders uitvoering werd gegeven aan een zorgregeling en dat er – hoewel voor verbetering vatbaar – vorm werd gegeven aan het gezamenlijk ouderschap. De rechtbank constateert ook dat de moeder zich tijdens de zitting, in tegenstelling tot de vader, open en meewerkend heeft opgesteld om hiermee aan de slag te gaan.
5.De beslissing
mr. T.E.F. Reijnders en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, in aanwezigheid van
mr. S.T. Viezee als griffier.
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.