ECLI:NL:RBDHA:2026:18086

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
C/09/683662 / JE RK 25-681 en C/09/701233 / JE RK 26-402
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 810 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 1:255 Burgerlijk WetboekInternationaal Verdrag voor de Rechten van het KindArt. 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ondertoezichtstelling wegens verstoorde ouder-kindrelatie

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om zijn minderjarige kind onder toezicht te stellen vanwege een verstoorde relatie en vermeende emotionele mishandeling door de moeder.

De vader stelde dat de moeder psychische druk uitoefent, wat leidde tot ouderverstoting en het verbreken van contact door het kind. De moeder ontkende mishandeling en gaf aan bereid te zijn tot samenwerking zonder ondertoezichtstelling. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde ondertoezichtstelling, maar trok het verzoekschrift in vanwege een administratieve fout.

Tijdens de zitting bleek dat het kind het contact met de vader had verbroken en dat de vader niet bereid was mee te werken aan hulpverlening zonder uithuisplaatsing, die niet aan de orde was. De gecertificeerde instelling zou een uithuisplaatsing niet overwegen.

De rechtbank concludeerde dat de belangen van het kind voorop staan, dat de ondertoezichtstelling niet proportioneel en subsidiariteit niet gewaarborgd is, en dat de maatregel onuitvoerbaar is. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van het kind wordt afgewezen wegens onuitvoerbaarheid en onvoldoende draagvlak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummers: C/09/683662 / JE RK 25-681 en C/09/701233 / JE RK 26-402
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een ondertoezichtstelling
in de zaken van
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
en
de Raad voor de Kinderbescherming ’s-Gravenhage,
hierna te noemen de Raad,
over de minderjarige
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt in beide zaken als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.M. Zeeman uit Zoetermeer.
De rechtbank merkt
de vaderaan als belanghebbende in de zaak van de Raad.
De rechtbank heeft
de Raadopgeroepen voor het inwinnen van advies in de zaak van de vader. [1]
De rechtbank merkt in beide zaken als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 28 mei 2025 van de kinderrechter in deze rechtbank is het verzoek van de vader aangehouden en is aan de Raad verzocht onderzoek te doen en te adviseren of een ondertoezichtstelling nodig is voor [minderjarige] .
1.2.
Op 27 februari 2026 heeft de rechtbank in de zaak van het verzoek van de vader een brief van de Kinder- en Jongerenrechtswinkel ontvangen, met als bijlage een handgeschreven brief van [minderjarige] waarin zij verzoekt het gezag van de vader te beëindigen. Deze brief is aangemerkt als informele rechtsingang en geregistreerd onder zaaknummer C/09/700444/ FA RK 26-2020.
1.3.
Op 12 maart 2026 is een verzoekschrift van de Raad met bijlagen, waaronder het rapport van 11 maart 2026, ingekomen en geregistreerd onder zaaknummer C/09/701233 / JE RK 26-402.
1.4.
Bij beschikking van 20 april 2026 zijn de zaken van de vader en de Raad voor verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
1.5.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de voorgaande beschikkingen van 28 mei 2025 en 20 april 2026 en de processtukken die daarin zijn genoemd. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de volgende processtukken die na 20 april 2026 nog zijn ingekomen:
- de e-mail van de vader van 1 mei 2026 met twee bijlagen.
1.6.
Op 12 mei 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
  • [naam 1] namens de Raad;
  • [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
1.7.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 11 mei 2026 met de voorzitter van de meervoudige kamer gesproken. Tijdens dat gesprek heeft [minderjarige] ook een brief gericht aan de vader overhandigd, met het verzoek die op de zitting voor te lezen. Tijdens de zitting is, met goedvinden van [minderjarige] , samengevat wat [minderjarige] aan de rechter heeft verteld. De brief van [minderjarige] is uitgedeeld aan de aanwezigen.
1.8.
Na de zitting heeft de vader op 15 mei 2026 een e-mail met vijf bijlagen ingediend in reactie op de tijdens de zitting uitgedeelde brief van [minderjarige] . Deze e-mail en bijlagen neemt de rechtbank niet mee in de beoordeling, omdat de inhoudelijke behandeling van de zaak al gesloten is. Daarbij komt de brief van [minderjarige] aan het begin van de zitting is uitgedeeld, en direct daarna de inhoud van de brief door de voorzitter is samengevat. De vader heeft dus ruimschoots de gelegenheid gehad om tijdens de zitting te reageren.

2.De verzoeken

2.1.
De zaak is aangevangen met de e-mail van 26 maart 2025 van de vader waarin hij verzoekt om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. In zijn e-mails van 7 april 2026, 14 april 2026 en 1 mei 2026 noemt de vader ook een aantal andere verzoeken.
Desgevraagd heeft de vader tijdens de zitting toegelicht dat de bijlage bij zijn e-mail van
1 mei 2026, betiteld als pleitnotitie, leidend is. Uit het daarin genoemde petitum volgt dat de vader aan de rechtbank verzoekt om [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling te stellen. Daarnaast noemt hij nog zes verzoeken die zien op de uitvoering van de ondertoezichtstelling, waaronder (wat de vader betreft) een uithuisplaatsing van [minderjarige] . Ter zitting heeft de vader toegelicht dat het zijn bedoeling is dat deze verzoeken zouden worden overgenomen door de gecertificeerde instelling, dan wel de Raad, omdat de vader die verzoeken op dit moment niet kan doen.
2.2.
De Raad heeft een verzoekschrift ingediend dat strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. Echter is ter zitting verklaard dat bij de administratieve afronding van het rapport van de Raad kennelijk een fout is gemaakt en dat het verzoekschrift (rekest) per abuis is ingediend. Het rapport bevat namelijk een
adviesaan de rechtbank (op verzoek van de kinderrechter) maar de Raad doet geen verzoek. Om die reden wordt het verzoekschrift ingetrokken.

3.De standpunten

3.1.
Kort samengevat stelt de vader dat [minderjarige] slachtoffer is van emotionele en psychische mishandeling door de moeder, waardoor een negatief en onjuist beeld van hem is gecreëerd en [minderjarige] geen contact meer met hem wil. De vader heeft in 25 punten beschreven (en ter zitting een 26e punt toegelicht) hoe deze ouderverstoting in de afgelopen jaren is veroorzaakt door de moeder en het falen van de hulpverlening. Volgens de vader is een uithuisplaatsing de enige uitweg om de invloed van de moeder op [minderjarige] en om de ouderverstoting van de vader door [minderjarige] te doorbreken. Zonder uithuisplaatsing zal er niets veranderen, is de vader niet bereid tot contactherstel met [minderjarige] en heeft - zo begrijpt de rechtbank de vader - de ondertoezichtstelling dus weinig zin.
3.2.
De moeder geeft aan dat zij zich zorgen maakt over het welzijn van [minderjarige] en over de invloed van de vader daarop. Door het handelen van de vader komt de nodige hulp en begeleiding voor [minderjarige] telkens onder druk te staan, bijvoorbeeld doordat hij klachten indient en aangiftes doet. Volgens de moeder ziet de vader onvoldoende zijn eigen aandeel en ontstaat daardoor juist verwijdering van [minderjarige] . De moeder is bereid om het gesprek te voeren met de vader, maar de vader wil dat niet. Als de jeugdbeschermer daarbij kan helpen dan staat de moeder daarvoor open, maar voor haar medewerking is de ondertoezichtstelling niet nodig. De moeder betwist iedere aantijging van kindermishandeling.
3.3.
De Raad adviseert de rechtbank om [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Dat ziet dan met name op de zorg over haar verstoorde relatie met de vader. De oplossing daarvoor ligt wat de Raad betreft bij de ouders. Als de ouders weer een manier gaan vinden om met elkaar om te gaan, zal er bij [minderjarige] ruimte ontstaan om contact met haar vader te hebben en te houden. Aangezien dit niet de visie is van de vader en hij aangeeft niet bereid te zijn daaraan mee te werken, wordt wel ernstig betwijfeld of de maatregel effectief kan worden uitgevoerd.
3.4.
Desgevraagd heeft de gecertificeerde instelling tijdens de zitting verklaard dat zij de visie van de vader over wat er tijdens de ondertoezichtstelling zou moeten gebeuren niet zullen volgen op het moment dat zij de ondertoezichtstelling zouden moeten uitvoeren. De gecertificeerde instelling zou een uithuisplaatsing namelijk niet overwegen, omdat uit de beschikbare informatie volgt dat er geen zorgen zijn over de veiligheid en opvoedsituatie bij de moeder. Wat de gecertificeerde instelling betreft is de maatregel onuitvoerbaar als de vader enkel zal blijven aansturen op een uithuisplaatsing.

4.De beoordeling

4.1.
Voor de ontvankelijkheid van het verzoek van de vader verwijst de rechtbank naar de beschikking van 28 mei 2025.
4.2.
De rechtbank moet beoordelen of [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, of de zorg die nodig is voor het wegnemen van die ontwikkelingsbedreiging niet of onvoldoende wordt geaccepteerd en of de verwachting is gerechtvaardigd dat de ouder(s) met gezag binnen aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de opvoeding en verzorging weer zelf kunnen dragen. [2]
4.3.
De ondertoezichtstelling is een kinderbeschermingsmaatregel die ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder(s) met gezag en de minderjarige, in dit geval [minderjarige] . De rechtbank moet daarom ook beoordelen of dit ingrijpen gerechtvaardigd is. Daarbij weegt de rechtbank de belangen van de vader, de moeder en [minderjarige] zorgvuldig af, waarbij de belangen van [minderjarige] voorop staan bij het nemen van een beslissing over haar. [3] Als het doel van de ondertoezichtstelling kan worden bereikt met een lichtere maatregel, dan dient deze verkozen te worden (proportionaliteit). Daarnaast moet de inmenging in het privé- en gezinsleven die het gevolg is van de ondertoezichtstelling in een redelijke verhouding staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd (subsidiariteit). [4]
4.4.
Vooropgesteld wordt dat het voor de rechtbank duidelijk is dat [minderjarige] lijdt onder de situatie met de vader. Feit is dat [minderjarige] meer dan drie jaar geleden het contact met de vader heeft verbroken en sindsdien geen ruimte voelt om het contact te herstellen. Dat is voor zowel [minderjarige] als de vader een verdrietig gegeven. De rechtbank overweegt dat een contactbreuk tussen een ouder en kind over het algemeen negatieve gevolgen heeft voor de ontwikkeling van het kind. Een bijkomende zorg in het geval van [minderjarige] is dat zij op dit moment vooral veel last heeft van de manier waarop de vader hiermee omgaat. Alles wat de vader doet om de situatie in zijn ogen recht te zetten levert spanning op bij [minderjarige] , met soms fysieke klachten tot gevolg, omdat zij het gevoel heeft dat de vader over haar grenzen gaat. Buiten [minderjarige] bevestigen ook anderen dat beeld, zoals de mentor van school en de betrokken behandelaren. Het gevolg is dat de vader de bron van onrust is geworden voor [minderjarige] en dat zij enkel verder verwijderd raken van elkaar. De rechtbank hecht eraan te benoemen dat uit het onderzoek van de Raad en eerder uit bevindingen van andere hulpverlenende instanties geen zorgen naar voren zijn gekomen over de verdere ontwikkeling van [minderjarige] . Op school gaat het naar omstandigheden goed en over de thuissituatie bij de moeder zijn er, behalve vanuit de vader, geen zorgen.
4.5.
Voor zover hieruit de conclusie volgt dat [minderjarige] door de verstoorde relatie met haar vader ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd, is de vraag of de zorg die nodig is om die ontwikkelingsbedreiging weg te nemen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd.
De rechtbank constateert dat met name de vader anders denkt over wat er nodig is om het contact te kunnen herstellen. Dat komt door zijn visie op de toedracht van de contactbreuk, namelijk dat sprake is van psychische mishandeling: ouderverstoting onder psychische druk van de moeder. Vanuit die visie heeft de vader moeite om mee te werken aan hulpverlening die daarop niet acteert en in zijn ogen zelfs meer kwaad dan goed doet. De rechtbank begrijpt dat het voor de vader moeilijk is dat [minderjarige] beschuldigingen tegen hem heeft geuit over hem en een beleving van hem heeft waar de vader zich niet in herkent. De rechtbank heeft de indruk dat, naast het gemis van het contact, het voor de vader onverdraaglijk is dat [minderjarige] met dit beeld van hem opgroeit, wat ook invoelbaar is. De rechtbank wil de vader echter voorhouden dat zijn handelen – vanuit een gevoel van onmacht – de situatie nu juist lijkt te verharden en te verslechteren, in het bijzonder tussen hem en [minderjarige] . In die zin is het de vader die op dit moment (onbewust) psychische druk op [minderjarige] uitoefent. Hij gaat daarbij over haar grenzen heen. Daarom is er op dit moment geen ruimte bij [minderjarige] om toenadering te zoeken, dan wel hulp te accepteren om contactherstel te bewerkstelligen. Evenals de Raad heeft de rechtbank de indruk dat de oplossing in eerste instantie ligt bij het normaliseren van het contact tussen de ouders, buiten [minderjarige] om. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat totdat [minderjarige] bijna elf jaar was door de ouders uitvoering werd gegeven aan een zorgregeling en dat er – hoewel voor verbetering vatbaar – vorm werd gegeven aan het gezamenlijk ouderschap. De rechtbank constateert ook dat de moeder zich tijdens de zitting, in tegenstelling tot de vader, open en meewerkend heeft opgesteld om hiermee aan de slag te gaan.
4.6.
Dat brengt de rechtbank op de uitvoerbaarheid van een maatregel, waarover tijdens de zitting uitgebreid is gesproken. Duidelijk is dat de vader iets voor ogen heeft, een stappenplan, waar door de jeugdbeschermer binnen een ondertoezichtstelling geen uitvoering aan zal worden gegeven. Desgevraagd heeft de vader herhaaldelijk en duidelijk kenbaar gemaakt dat hij niet bereid is ergens aan mee te werken zónder uithuisplaatsing van [minderjarige] , omdat dit in zijn visie niet zal leiden tot contactherstel. Een uithuisplaatsing is echter niet aan de orde en ook niet voorzienbaar. Naar het oordeel van de rechtbank kan het doel van de maatregel, contact herstellen tussen de vader en [minderjarige] , op dit moment niet worden bereikt, hoofdzakelijk door de stelligheid van de vader over zijn eigen visie en zijn houding richting [minderjarige] , de moeder en de (noodzakelijke) hulpverlening. Bovendien is voor de rechtbank ook duidelijk dat een nieuw (hulpverlenings)traject en deze procedures bij de rechtbank een zware belasting zijn voor [minderjarige] . Daarom concludeert de rechtbank dat de inbreuk op het privé- en gezinsleven niet is gerechtvaardigd en dat de belangen van [minderjarige] niet zijn gediend met een maatregel tot ondertoezichtstelling.
4.7.
De rechtbank zal het verzoek tot ondertoezichtstelling daarom afwijzen.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
stelt vast dat zij in zaaknummer C/09/701233 / JE RK 26-402 niets meer te beslissen heeft;
5.2.
wijst af het verzoek van de vader tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] .
Deze beschikking is gegeven op 2 juni 2026 door mr. R. van Zeijst-Repelaer van Driel,
mr. T.E.F. Reijnders en mr. K.A.M. van der Zon, kinderrechters, in aanwezigheid van
mr. S.T. Viezee als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 810, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Artikel 1:255, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 3 Internationaal Pro Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).
4.Artikel 8 Europees Pro Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).