ECLI:NL:RBDHA:2026:1811

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.63116 en AWB25/24522
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel en plaatsing op HTL wegens geweldsincident

Op 14 december 2025 heeft het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COa) besloten eiser te plaatsen op de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen en heeft de minister een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. Eiser stelde beroep in tegen beide besluiten en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank Den Haag behandelde de beroepen op 22 januari 2026. Uit de verslaglegging van het COa blijkt dat eiser op 9 december 2025 betrokken was bij een ernstig geweldsincident op een COa-locatie in Amsterdam, waarbij hij een medebewoner herhaaldelijk sloeg en schopte, ook toen deze op de grond lag. Het COa kwalificeerde dit als een incident met zeer grote impact, wat plaatsing op de HTL noodzakelijk maakte.

De rechtbank oordeelt dat het COa de gedragingen terecht heeft gekwalificeerd en voldoende heeft gemotiveerd. De stelling van eiser dat hij de-escalerend wilde optreden wordt verworpen. Ook de omstandigheden zoals het gebruik van pepperspray door het slachtoffer of het feit dat het slachtoffer geen aangifte deed, veranderen niets aan de ernst van het incident.

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen het beroep tegen het plaatsingsbesluit staat hoger beroep open, tegen het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.63116 en AWB25/24522
Proces verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaken tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van onbekende nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,

evenals

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Procesverloop

1. Het COa heeft op 14 december 2025 besloten om eiser in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [2] De minister heeft bij besluit van 14 december 2025 aan eiser de maatregel van vrijheidsbeperking opgelegd (de vrijheidsbeperkende maatregel) als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw. [3]
1.1.
Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft hierbij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond.
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – kort samengevat – het volgende. Op 9 december 2025 heeft zich een incident voorgedaan op de COa-locatie in Amsterdam. Een medebewoner werd achterna gezeten door een groep mensen. Eiser heeft samen met twee andere bewoners tijdens dit incident herhaaldelijk tegen het gezicht van de medebewoner getrapt en sloeg de medebewoner met gebalde vuisten. De beveiligers kwamen tussen de vechtende bewoners en de politie werd ingeschakeld. Medewerkers van het COa hebben vervolgens de camerabeelden van het incident bekeken. Uit de camerabeelden is gebleken dat eiser toen de medebewoner op de grond lag herhaaldelijk met gebalde vuisten op het hoofd en lichaam van de medebewoner heeft geslagen. Ook heeft eiser de medebewoner herhaaldelijk in het gezicht getrapt, op het lichaam geslagen en geschopt. Het COa heeft het incident gekwalificeerd als een incident met zeer grote impact, omdat het gaat om gedrag met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. Eiser heeft volgens het COa agressie en geweld gebruikt tegen een medebewoner. Het COa heeft daarom HTL-plaatsing noodzakelijk geacht.
Verslaglegging
4. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren brengt onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De rechtbank volgt het COa in het standpunt dat zij alleen kunnen opschrijven wat ze waarnemen. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat hij de-escalerend wilde optreden. Uit de verslaglegging van het COa blijkt namelijk dat eiser, toen de medebewoner op de grond lag, op hem schopte en op zijn hoofd en lichaam bleef slaan met gebalde vuisten. Dit geeft geen blijk van een de-escalerende houding. Dat eiser ten onrechte wordt gezien als (mede)aanstichter volgt de rechtbank dan ook niet. Het COa heeft niet tegengeworpen aan eiser dat hij met een ijzeren staaf zou hebben geslagen. De rechtbank gaat uit van de verslaglegging van het COa.
Kwalificatie
5. De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident terecht heeft aangemerkt als een incident met zeer grote impact. Van een incident met zeer grote impact is, zoals volgt uit het maatregelenbeleid, sprake wanneer het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstige fysieke schade toe te brengen. In het geval van eiser gaat het om het schoppen en slaan van een medebewoner tegen zijn hoofd en lichaam. Het incident is daarom door het COa terecht aangemerkt als een incident met zeer grote impact. Dat de medebewoner onder invloed was van alcohol maakt het voorgaande niet anders. Het gedrag van eiser wordt hierdoor namelijk niet minder ernstig. Daarnaast maakt ook de stelling van eiser dat de medebewoner een ijzeren staaf vast had en pepperspray gebruikte het voorgaande niet anders. Ook dit doet namelijk geen afbreuk aan het gedrag van eiser. Dat de medebewoner geen aangifte van het incident heeft gedaan leidt de rechtbank ook niet tot een andere conclusie. Het wel of niet aangifte doen doet ook niet af aan de ernst van het incident en is geen voorwaarde voor een HTL-plaatsing. Dat er vijf dagen tussen de plaatsing en het incident zitten doet ook geen afbreuk aan de ernst van het incident. Omdat er sprake is van een incident met zeer grote impact is één incident voldoende voor plaatsing op de HTL. Gelet op het voorgaande heeft het COa de kwalificatie van het incident voldoende deugdelijk gemotiveerd.
Onevenredige gevolgen plaatsingsbesluit
6. De rechtbank is van oordeel dat het COa gelet op het voorgaande tot plaatsing op de HTL heeft kunnen beslissen. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat zijn kinderen inmiddels naar Nederland zijn gekomen. De rechtbank overweegt dat dit niet maakt dat het COa van plaatsing af moest zien of dat de minister geen vrijheidsbeperkende maatregel op kon leggen. Het staat eiser vrij om ontheffing te vragen of om te verzoeken of hij bezoek kan ontvangen in de HTL.

Conclusie

7. Dat betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en dat de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht opleggen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026 door mr.
H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en gepubliceerd door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.