ECLI:NL:RBDHA:2026:18162
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel in grensprocedure asiel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die is opgelegd in het kader van de grensprocedure na het doen van een asielaanvraag. Eiser stelde dat er geen zicht op uitzetting was en dat de maatregel onevenredig bezwarend was vanwege zijn PTSS- en slaapklachten, medicatiebehoefte en psychologische hulpwens.
De rechtbank oordeelt dat het bestaan van zicht op uitzetting geen vereiste is voor het opleggen van de maatregel en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom een lichter middel had moeten worden toegepast. Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser verklaarde gezond te zijn en geen medicatie te gebruiken, waardoor verweerder terecht heeft geconcludeerd dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die een lichtere maatregel rechtvaardigen.
De rechtbank erkent dat de detentie zwaar kan zijn, maar acht de medische voorzieningen op het aanmeldcentrum toereikend en vindt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de maatregel onevenredig bezwarend is. Ook ambtshalve constateert de rechtbank dat de maximale duur van 13 weken nog niet is overschreden. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.