ECLI:NL:RBDHA:2026:18174
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en schadevergoeding afgewezen
De zaak betreft een beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van vreemdelingenbewaring die op 30 december 2025 is opgelegd en op 15 juni 2026 is opgeheven. Eiser vordert tevens schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid van de bewaring.
De rechtbank stelt vast dat de maatregel tot 10 juni 2026 rechtmatig was, zoals eerder beoordeeld in een uitspraak van 16 juni 2026. De beoordeling richt zich daarom op de periode van 10 tot 15 juni 2026, waarin eiser stelt dat de voortzetting van de bewaring onrechtmatig was vanwege het ontbreken van concreet zicht op uitzetting, onvoldoende voortvarendheid van verweerder, het ontbreken van een individuele belangenafweging en het niet toepassen van een lichter middel.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen gewijzigde omstandigheden heeft aangetoond die een ander oordeel rechtvaardigen dan in de eerdere uitspraak. Verweerder heeft toegelicht dat de opheffing van de bewaring op 15 juni 2026 het gevolg was van een verzwaarde belangenafweging die niet eerder hoefde plaats te vinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.