ECLI:NL:RBDHA:2026:18187

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24.7640 en 24.7641
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
  • J. Geuze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 4, vierde lid, van de Richtlijn 2011/95/EUArtikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet Griekse erkenning vluchtelingenstatus volledig betrekken bij asielbesluit

Eisers, Griekse statushouders van Somalische nationaliteit, dienden in maart 2022 asielaanvragen in die door de minister in januari 2024 en opnieuw in mei 2026 werden afgewezen. De minister had de beslissing van de Griekse beroepsinstantie, die eisers erkende als vluchteling en internationale bescherming verleende, niet ten volle betrokken in zijn beoordeling.

De rechtbank oordeelt dat de minister de Griekse beslissing, de asielrelazen, en de actuele landeninformatie over de clansystemen en de gevolgen van een gemengd huwelijk onvoldoende heeft meegewogen. De Griekse beroepsinstantie achtte de asielmotieven geloofwaardig en nam eerdere daden van vervolging aan, wat de vrees voor vervolging ondersteunt.

Omdat de minister niet concreet heeft gemotiveerd waarom hij afwijkt van de Griekse beslissing en onvoldoende rekening hield met de culturele achtergrond en eerdere vervolging, vernietigt de rechtbank de bestreden besluiten. De minister wordt opgedragen binnen acht weken nieuwe besluiten te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 2.335,00.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt de minister op nieuwe besluiten te nemen waarbij de Griekse erkenning van vluchtelingenstatus volledig wordt betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.7640 en NL24.7641
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [nummer], eiseres

en

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

samen te noemen “eisers,”
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).

Procesverloop

Eisers hebben op 10 maart 2022 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stellen van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986. De minister heeft met de besluiten van 31 januari 2024 deze aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van 31 januari 2024.
De beroepen van eisers zouden aanvankelijk behandeld worden op de zitting van 23 oktober 2025. Op verzoek van de minister is de behandeling van de zaken op zitting vervolgens uitgesteld, zodat de minister in Griekenland de dossiers kon opvragen die ten grondslag liggen aan de beslissing van de Griekse autoriteiten om aan eisers internationale bescherming te verlenen. Na ontvangst daarvan heeft de minister op 7 mei 2026 aanvullende besluiten genomen waarmee de inhoud van de besluiten van 31 januari 2024 is komen te vervallen. In de aanvullende besluiten van 7 mei 2026 zijn de asielaanvragen van eisers opnieuw afgewezen als ongegrond.
Het beroep van eisers is ook gericht tegen de aanvullende besluiten van 7 mei 2026, hierna te noemen “de bestreden besluiten.”
De rechtbank heeft de beroepen op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, L. Nur als tolk en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de aanvullende besluiten van 7 mei 2026;
  • draagt de minister op om met inachtneming van deze uitspraak binnen acht weken na verzending daarvan nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.335,00.
Hierna zal de rechtbank – uitgebreid – de schriftelijke motivering geven voor dit oordeel.

Overwegingen

1. Uit het arrest QY van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 18 juni 2024 [1] en de uitleg daarvan door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 juli 2025 [2] volgt dat de minister de beslissing van de Griekse autoriteiten om eisers internationale bescherming te verlenen ten volle in zijn beoordeling had moeten betrekken. De rechtbank is van oordeel dat de minister dit onvoldoende heeft gedaan. Zij zal dat hierna uiteenzetten.
Waarop heeft de Griekse beroepsinstantie haar beslissing van 8 juli 2021 om eisers internationale bescherming te verlenen gebaseerd?
2. De rechtbank heeft partijen op de zitting voorgehouden dat uit het Griekse dossier van eisers blijkt dat bij de beslissing in eerste aanleg van 12 maart 2021 hun asielaanvragen zijn afgewezen. Eisers zijn daartegen in beroep gegaan. De Griekse beroepsinstantie heeft in haar beslissing in tweede aanleg van 8 juli 2021 het beroep gegrond verklaard, de beslissingen in eerste aanleg vernietigd en eisers erkend als vluchteling.
3. Onder uitgebreide verwijzing naar landeninformatie van onder andere het European Asylum Support Office (EASO), thans het European Union Agency for Asylum (EUAA) heeft de Griekse beroepsinstantie de asielrelazen van eisers beoordeeld. In haar oordeel heeft de Griekse beroepsinstantie ook de inhoud, consistentie en samenhang van de verklaringen van eisers betrokken.
4. De Griekse beroepsinstantie heeft navolgende asielmotieven geloofwaardig geacht:
- nationaliteit, etnische afkomst (eiseres Isaaq en eiser Gabooye), godsdienst, gezinssituatie, opleidingsniveau, beroepsactiviteit en reis naar Griekeland;
- genitale verminking van eiseres op 8 á 9-jarige leeftijd;
- discriminatie vanwege de Gabooye-afkomst,
- de moord van de echtgenoot van eiseres (vader eiser) en de aanval op eiser door familieleden van eiseres;
- de vrees van eisers te worden vermoord door familieleden van eiseres.
5. Verder heeft de Griekse beroepsinstantie als daden van vervolging aangenomen:
- de genitale verminking van eiseres;
- de moord op de echtgenoot van eiseres door haar broer;
- de aanrijding van eiser door zijn neef.
6. Op grond van het voorgaande heeft de Griekse beroepsinstantie geconcludeerd dat eisers bij terugkeer naar het land van herkomst hebben te vrezen voor hun leven vanwege de familieleden van eiseres. Daarom heeft de Griekse beroepsinstantie eisers erkend als vluchteling en aan hen internationale bescherming verleend.
Culturele achtergrond/ stamcultuur/ gemend huwelijk/ discriminatie en mishandeling
7. In haar uitspraak is de Griekse beroepsinstantie onder verwijzing naar landeninformatie van o.a. het EASO ingegaan op de betekenis van het clansysteem als belangrijkste sociale verbindingsfactor binnen Somalië. Uitgelegd is dat de Gabooye/ Madhibaan/Midgaan een minderheidsclan is en dat het woord Midgaan als onterend scheldwoord wordt gebruikt. In dat licht acht de rechtbank ook relevant dat uit de actuele landeninformatie van het EUAA nog steeds volgt dat een gemengd huwelijk tussen een vrouw uit een meerderheidsclan met een man uit een minderheidsclan tot gewelddadige conflicten tussen families kan leiden. [3] Bij eiseres is sprake van een dergelijk gemengd huwelijk. Zij is verstoten door haar familie en haar broer heeft haar echtgenoot vermoord. Eiser is vanwege zijn afkomst gediscrimineerd, meermalen mishandeld en aangereden door zijn neef. De Griekse beroepsinstantie heeft de asielmotieven van eisers tegen deze culturele achtergrond van stamculturen en de gevolgen van een gemengd huwelijk uitgelegd en integraal geloofwaardig bevonden. De rechtbank begrijpt één en ander aldus dat de Griekse beroepsinstantie de landeninformatie op dit punt heeft beschouwd als een externe geloofwaardigheidsindicator om het relaas van eisers geloofwaardig te achten.
Eerdere daden van vervolging vormen een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is.
8. Ook is relevant dat de Griekse beroepsinstantie in haar beslissing de genitale verminking van eiseres, de moord van haar echtgenoot door haar broer en de aanrijding van eiser door zijn neef heeft aangemerkt als daden van vervolging. Die eerdere daden van vervolging vormen een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is. [4] Dit betekent dat de bewijsvoering verschuift en het aan de minister is om aannemelijk te maken waarom de gestelde vrees toch ongegrond is.
Hoe heeft de minister de beslissing van de Griekse autoriteiten in zijn beoordeling betrokken?
9. De rechtbank constateert dat de minister in de bestreden besluiten enkel refereert aan de in Griekenland afgenomen gehoren van eisers. Uit de bestreden besluiten blijkt niet dat de minister de beslissing van de Griekse beroepsinstantie waarbij eisers internationale bescherming is verleend in zijn beoordeling heeft betrokken. Dat volgt ook niet uit de toelichting van de minister op de zitting.
10. Daarbij komt dat met de aanvullende besluiten van 7 mei 2026 de besluiten van 31 januari 2024 zijn vervallen. Hoewel de minister op de zitting heeft toegelicht dat daarmee de daaraan voorafgaande voornemens van 22 december 2023 niet zijn vervallen – daargelaten de vraag of dit standpunt voor juist kan worden gehouden – betekent dit nog niet dat de motivering daarom voldoende is. Ten tijde van die voornemens had de minister immers de Griekse dossiers nog niet ontvangen, waardoor in de voornemens in het geheel niet is ingegaan op de Griekse inwilliging.
Hoe had de minister de beslissing van Griekse beroepsinstantie in zijn beoordeling moeten betrekken?
11. De rechtbank is van oordeel dat de minister in zijn beoordeling de beslissing van de Griekse beroepsinstantie van 8 juli 2021, de asielrelazen van eisers zoals die volgen uit de in Griekenland en in Nederland afgenomen gehoren, alsmede de actuele landeninformatie kenbaar had moeten betrekken. Met name mist de rechtbank in die beoordeling de aspecten van de culturele achtergrond van eisers, het clansysteem in Somalië en de gevolgen van het gemengd huwelijk van eiseres voor haar en haar zoon (eiser) en de daaruit voorvloeiende discriminatie en mishandeling. De Griekse beroepsinstantie heeft hier namelijk juist veel waarde aan gehecht, terwijl verweerder hieraan geen (kenbare) betekenis heeft gehecht. In dit kader is ook van belang dat de Griekse beroepsinstantie eerdere daden van vervolging heeft aangenomen. En nu de minister in weerwil van de beslissing van de Griekse beroepsinstantie eisers asielaanvragen heeft afgewezen, had hij concreet moeten motiveren waarom hij afwijkt van die beslissing. In die motivering had de minister duidelijker de argumenten en conclusies van de Griekse beroepsinstantie moeten betrekken. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de beslissing van de Griekse beroepsinstantie de waarde en het gezag van een gerechtelijke uitspraak in beroep toekomt en de minister had dat ook als zodanig in zijn beoordeling moeten betrekken.
12. Nu uit de bestreden besluiten en de toelichting van de minister op zitting onvoldoende blijkt dat hij de beslissing van de Griekse autoriteiten ten volle in zijn beoordeling heeft betrokken, kunnen de bestreden besluiten geen standhouden en vernietigt de rechtbank ze. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien en draagt daarom de minister op om binnen 8 weken na verzending van het proces-verbaal van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. Omdat het beroep gegrond is moet de minister de proceskosten van eisers betalen. De rechtbank merkt de beroepen van eisers aan als samenhangende zaken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het op verzoek van de rechtbank indienen van de schriftelijke reactie en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1).
14. De rechtbank heeft in het kader van de mondelinge uitspraak er melding van gemaakt dat tegen deze uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking van het proces-verbaal van deze uitspraak.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2026 door mr. J. Geuze, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: 22 juni 2026
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2024:524.
3.EUAA, Country Guidance: Somalia, October 2025, par. 3.9.5.
4.Artikel 4, vierde lid, van de Richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (Kwalificatierichtlijn) en artikel 31, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).