In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 8 januari 2026, gaat het om een beroep dat eiseres heeft ingediend tegen de minister van Asiel en Migratie. Eiseres had op 5 december 2023 een aanvraag ingediend voor een machtiging voor voorlopig verblijf, maar de minister heeft niet tijdig beslist. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de beslistermijn met drie maanden heeft verlengd, maar deze termijn is inmiddels verstreken. Eiseres heeft de minister verzocht om alsnog binnen twee weken te beslissen, maar dit is niet gebeurd, waardoor zij beroep heeft ingesteld. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de meervoudige kamer en stelt vast dat de minister binnen acht weken na deze uitspraak een beslissing moet nemen, tenzij hij besluit tot nader onderzoek, in welk geval de termijn twintig weken bedraagt. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van de termijn, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 467,-.