ECLI:NL:RBDHA:2026:18241
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening
De zaak betreft het bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Dit volgt op de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht per 1 januari 2025, waartegen eiser bezwaar maakte.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft, omdat hij inmiddels een verblijfsvergunning heeft verkregen en daardoor niet langer afhankelijk is van de LVV-opvang. Eiser kan gebruikmaken van andere voorzieningen zoals gemeentelijke woonruimtebemiddeling en bijstand.
De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze alternatieven en concludeert dat het bezwaar daarom niet-ontvankelijk is. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat deze termijn niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven.
De uitspraak is gedaan zonder zitting op 19 juni 2026 en het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na verkrijging van een verblijfsvergunning.