ECLI:NL:RBDHA:2026:18268

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.34631
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 64 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel vreemdelingenbewaring en verzoek schadevergoeding

De minister heeft op 4 februari 2026 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep instelde en tevens om schadevergoeding verzocht. De rechtbank had de rechtmatigheid van de bewaring al driemaal eerder getoetst en oordeelde dat deze tot 8 mei 2026 rechtmatig was.

In deze procedure stond de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring na 8 mei 2026 centraal. Eiser voerde aan dat de voortzetting onrechtmatig was vanwege medische en psychische klachten en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, volstond. Tevens stelde eiser dat een beroep tegen een negatieve beslissing op zijn artikel 64-aanvraag schorsende werking had.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen nieuwe omstandigheden had aangevoerd die een lichter middel rechtvaardigen en dat medische voorzieningen in het detentiecentrum toereikend zijn. Het beroep tegen de negatieve beschikking op artikel 64 was Pro niet aannemelijk gemaakt en zou geen schorsende werking hebben. Verder is er zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn.

De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de bewaring rechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.34631

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - De Groot).

Inleiding

1. De minister heeft op 4 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hier op 26 juni 2026 schriftelijk gereageerd, waarna de minister op 30 juni 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [1] en het onderzoek op 2 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 mei 2026 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 8 mei 2026.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is. Daartoe stelt eiser te lijden aan medische en psychische klachten waarvoor hij onder medische behandeling staat. Gelet hierop is volgens eiser de voortduring van de bewaring voor hem onevenredig zwaar geworden en kan worden volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, waaraan hij bereid is zich te houden. Daarnaast stelt eiser beroep te hebben ingesteld tegen de negatieve beslissing op zijn artikel 64-aanvraag, welk beroep volgens eiser schorsende werking heeft.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 26 februari 2026 [3] geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel nu wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. Zoals reeds is overwogen in de eerdere uitspraak, kan eiser zich voor zijn medische en psychische klachten wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Niet is gesteld noch is gebleken dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5.1.
Ten aanzien van eisers betoog dat hij beroep heeft ingesteld tegen de negatieve beschikking op zijn artikel 64 Vw Pro-aanvraag, overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat een dergelijk beroep is ingesteld. De minister heeft dit bovendien op zitting uitdrukkelijk betwist. Verder overweegt de rechtbank dat, indien een dergelijk beroep al zou zijn ingesteld, het louter indienen daarvan geen schorsende werking heeft ten aanzien van de uitzetting van eiser. Deze beroepsgrond faalt ook.
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraken is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. [4] Niet is gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. De minister heeft in zijn reactie op de beroepsgronden toegelicht dat de afdeling DIA [5] heeft aangegeven dat de Nigeriaanse autoriteiten de nationaliteit van eiser hebben bevestigd en dat de ambassade nog wacht op de foto die behoort bij het paspoortnummer dat uit het identiteitsonderzoek naar voren is gekomen. De verwachting is dat daarna, zonder dat een presentatie nodig is, een laissez-passer door de Nigeriaanse autoriteiten zal worden afgegeven.
5.3.
De rechtbank ziet verder ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 8 mei 2026 op enig moment onrechtmatig was. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
2.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:11983.
3.Rb. Den Haag, zittingsplaats Groningen, ECLI:NL:RBDHA:2026:3840.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2707) en 27 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2418).
5.Directie Internationale Aangelegenheden.
6.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).