ECLI:NL:RBDHA:2026:18346

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juli 2026
Zaaknummer
C/09/691709 / FA RK 25-7028
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:377e BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en herziening omgangsregeling tussen vader en minderjarige dochter

Partijen zijn de ouders van een minderjarige dochter die bij de moeder verblijft. De vader verzoekt wijziging van de omgangsregeling en vermindering van kinderalimentatie vanwege zijn financiële situatie en wil omgang onder begeleiding opbouwen.

De rechtbank constateert dat de omgangsregeling sinds maart 2025 niet is nageleefd en dat de vader een periode in een GGZ-instelling verbleef. De rechtbank acht het belang van het kind gediend bij een geleidelijke herstart van de omgang, met een stapsgewijze opbouw en betrokkenheid van hulpverlening.

De rechtbank wijst het verzoek tot oplegging van een dwangsom af, omdat verwacht wordt dat ouders zich aan de regeling houden en benadrukt het belang van tijdige communicatie bij niet-nakoming.

Het verzoek tot kinderalimentatie wordt afgesplitst en zal in een aparte procedure worden behandeld. De omgangsregeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten.

Uitkomst: De rechtbank stelt een nieuwe omgangsregeling vast, wijst het verzoek tot dwangsom af en splitst het verzoek tot kinderalimentatie af voor verdere behandeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-7028
Zaaknummer: C/09/691709C/09/691709
Datum beschikking: 4 juni 2026

Vaststelling omgangsregeling

Beschikking op het op 15 september 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. van Bendegem te Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. van Schaik te Berkel en Rodenrijs.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 6 oktober 2025 van de zijde van de vader, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het aanvullende verzoekschrift van 9 april 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 15 april 2026 van de zijde van de moeder, met bijlage.
Op 23 april 2026 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op
  • [minderjarige] verblijft bij de moeder.
  • De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] belast.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 14 augustus 2023 is bepaald dat [minderjarige] bij de vader zal zijn gedurende driemaal, te beginnen met zaterdag [dag 1] 2023, eenmaal per veertien dagen van zaterdag 16:00 uur tot zondag 18:00 uur, vervolgens gedurende driemaal:
- eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10:00 uur tot zondag 18:00 uur,
- en daarna eenmaal per veertien dagen van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur, de helft van de feestdagen, de verjaardag van de vader, de verjaardag van de twee broers van de vader en de verjaardag van de ouders van de vader, gedurende het weekend rond deze verjaardagen, in onderling overleg af te spreken.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader strekt, na wijziging, ertoe:
  • te bepalen dat [minderjarige] bij de vader zal verblijven in de oneven weken van vrijdag 18:00 uur tot en met zondag 18:00 uur, waarbij de moeder [minderjarige] brengt naar de vader dan wel zijn ouders en de vader [minderjarige] brengt naar de moeder, zulks op straffe van een dwangsom ad € 500,- voor iedere keer dat de moeder hiermee in gebreke blijft, zulks met een maximum van € 10.000,-, althans te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht;
  • te bepalen dat [minderjarige] gedurende de feest- en verjaardagen volgens het voorstel van de vader bij hem zal verblijven, namelijk dat deze dagen bij helfte tussen de ouders moeten worden verdeeld, in die zin dat [minderjarige] bij de vader is gedurende:
- Pasen: in de oneven jaren eerste Paasdag van 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag en in de even jaren tweede Paasdag van 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag;
- Hemelvaartsdag: in de oneven jaren van 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag;
- Pinksteren: in de even jaren eerste Pinksterdag van 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag en in de oneven jaren tweede Pinksterdag van 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag;
- Koningsdag: in de even jaren van 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag;
- Sinterklaas: in de oneven jaren van 18.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag;
- Kerst: oneven jaren eerste Kerstdag van 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag en in de even jaren eerste Kerstdag van 9.00 uur tot 9.00 uur de volgende dag;
- Oud en Nieuw: in de oneven jaren van Oudejaarsdag 12.00 uur tot Nieuwjaarsdag 12.00 uur.
- de verjaardag van de vader (8 mei): het weekend volgend op de verjaardag van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur en indien de verjaardag in het weekend valt, dat betreffende weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;
- de verjaardag van de twee broers van de vader ( [dag 2] en [dag 3] ): de weekenden volgend op de verjaardagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur en indien de verjaardag in het weekend valt, dat betreffende weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;
- de verjaardag van de ouders van de vader ( [dag 4] en [dag 5] ): de weekenden volgend op de verjaardagen van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur en indien de verjaardag in het weekend valt, dat betreffende weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur.
- te bepalen dat de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van januari 2026 op nihil wordt gesteld, totdat de vader weer over een toereikend en bestendig inkomen beschikt, althans te bepalen zoals de rechtbank in goede justitie juist en redelijk acht,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig:
- de beschikking van deze rechtbank van 14 augustus 2023 te wijzigen en een contactregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader van een dag per twee van 9:00 uur tot 18:00 uur, onder begeleiding van het [instelling] , waarbij er na 6 maanden opnieuw wordt bekeken of uitbreiding van de omgangsregeling mogelijk is,
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

OmgangsregelingWettelijk kader
Op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de minderjarige recht op omgang met haar beide ouders. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van artikel 1:377e BW kan de rechtbank deze regeling op verzoek van de ouders of een van hen of van degene die in nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Standpunt vader
De vader stelt dat de omgangsregeling die bij beschikking van 14 augustus 2023 is vastgelegd niet wordt nagekomen. Hij geeft aan dat hij vaak niet weet wanneer hij zijn dochter kan zien en afhankelijk is van de bereidheid van de moeder om de omgang toe te staan. Zo zou [minderjarige] in de maanden juni en juli van vorig jaar één dag bij haar vader en één dag bij haar opa en oma (van vaderszijde) hebben verbleven. De vader geeft aan dat wanneer hij de moeder benadert om te overleggen welk weekend [minderjarige] bij hem zal verblijven, zij hier niet op ingaat. Daarnaast lukt het partijen ook niet om afspraken te maken over de feest- en verjaardagen. De vader stelt dat het in het belang van [minderjarige] is om op regelmatige basis omgang te hebben met haar vader. Zowel [minderjarige] als de ouders hebben daar baat bij volgens de vader.
Standpunt moeder
De moeder stelt dat de bij beschikking van 14 augustus 2023 vastgelegde omgangsregeling tot aan het voorjaar van 2025 correct is uitgevoerd, maar dat de vader na 30 maart 2025 de dochter niet meer is komen ophalen. De moeder heeft zich op 5 mei 2025 schriftelijk per brief tot de vader gewend met de vraag om duidelijkheid te geven over de voortzetting van de contactregeling, waarop geen (duidelijke) reactie zou zijn gekomen. Zij acht het niet in het belang van de dochter dat na een pauze van bijna één jaar de contactregeling plotseling wordt hervat op de wijze die de vader vraagt. De moeder is van oordeel dat het contact tussen vader en dochter langzaam en zorgvuldig hersteld moet worden, waarbij na zes maanden gekeken wordt of uitbreiding mogelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
Op basis van de stukken en op basis van hetgeen op de zitting met de ouders en met de Raad is besproken, overweegt de rechtbank als volgt. De huidige omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] loopt al een tijd niet naar behoren. Vanaf eind maart 2025 hebben vader en dochter elkaar niet meer gezien. Het ontbrak bij beide ouders aan de nodige inzet om de omgangsregeling weer te hervatten. Bovendien is de vader een periode opgenomen geweest in een GGZ-instelling. Op zitting heeft de vader aangegeven door deze periode inzichten te hebben gekregen in wat belangrijk voor hem is en opnieuw structuur te willen gaan opbouwen in zijn leven. Daarbij hoort onder meer een (opbouwende) omgangsregeling met [minderjarige] .
Met de Raad acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat de omgang met de vader zo snel mogelijk weer wordt opgestart. De ouders zijn hiervoor beiden verantwoordelijk en moeten zich hier actief voor inzetten. Op zitting zijn afspraken gemaakt tussen partijen over een omgangsregeling. Die luiden als volgt.
  • De omgang zal tweewekelijks op zaterdag plaatsvinden, met als ingangsdatum 2 mei 2026;
  • De ouders zoeken in overleg een plek waar de omgang kan plaatsvinden, zoals een speeltuin in de buurt. Daar zal de omgang vanaf dan iedere keer plaatsvinden, totdat de omgang bij de vader thuis zal plaatsvinden, of totdat de ouders in onderling overleg een andere locatie overeenkomen;
  • De eerste vier keer vindt de omgang plaats van 14.00 uur tot 15.30 uur. Daarbij zijn aanwezig [minderjarige] , de vader, de moeder en de grootmoeder moederszijde;
  • De vier keer daarna vindt de omgang eveneens plaats van 14.00 uur tot 15.30 uur. Daarbij zijn aanwezig [minderjarige] en de vader. De moeder brengt en haalt [minderjarige] op de afgesproken tijden;
  • De keer daarna vindt de omgang plaats van 14.00 uur tot 15.30 uur bij de vader thuis. Daarbij zijn aanwezig [minderjarige] , de vader, de moeder en de grootmoeder moederszijde;
  • De drie keer daarna vindt de omgang plaats van 14.00 uur tot 15.30 uur bij de vader thuis. Daarbij zijn aanwezig [minderjarige] en de vader. De moeder brengt en haalt [minderjarige] op de afgesproken tijden;
  • Het omgangsmoment kan in onderling overleg tussen de ouders worden uitgebreid naar drie uur per keer, dus van 14.00 uur tot 17.00 uur.
  • Om de omgang stap voor stap op te bouwen, blijft die (vooralsnog) beperkt tot de bovengenoemde betrokkenen. Bij de omgangsmomenten zal dus geen andere familie dan bovengenoemden betrokken en/of aanwezig zijn.
De rechtbank merkt op dat het belangrijk is dat de ouders oog houden voor de behoeften van [minderjarige] . Mocht [minderjarige] aangeven vaker contact met haar vader te willen dan nu is vastgelegd in bovenstaande afspraken, bijvoorbeeld via FaceTime of anderszins, dan vraagt dit van de ouders dat zij hierin meebewegen om aan die wens tegemoet te kunnen komen.
Verder is op de zitting besproken dat het goed is om hulpverlening op te starten bij [hulpverlener] . In overleg met [hulpverlener] kunnen de ouders de omgang mogelijk verder uitbouwen en toewerken naar de situatie zoals die oorspronkelijk was, afhankelijk van hoe de omgang de komende tijd verloopt. Ook kunnen zij werken aan hun onderlinge communicatie.
Dwangsom
Standpunt vader
De vader acht een dwangsom noodzakelijk gelet op het feit dat de moeder de omgang tussen de vader en [minderjarige] zou belemmeren. Daarom verzoekt hij te bepalen dat aan de moeder een dwangsom van € 500,- moet worden opgelegd iedere keer als zij de omgangsregeling niet nakomt, met een maximum van € 10.000,-. De vader vreest namelijk dat de moeder zich niet zal houden aan de door de rechtbank te wijzen beschikking.
Standpunt moeder
De moeder verzet zich tegen de dwangsom, omdat het volgens haar door toedoen van de vader is geweest dat de contactregeling is stopgezet. Volgens de moeder was er een goede contactregeling, die tot een eind gekomen is omdat de vader na 30 maart 2025 om hem moverende redenen niet meer kwam opdagen. Daarom ziet zij geen reden om nu een contact- of zorgregeling met een dwangsom te versterken.
Inhoudelijke beoordeling
Het aanvullende verzoek van de vader om een dwangsom op te leggen zal de rechtbank afwijzen. Nu er afspraken zijn gemaakt over de omgangsregeling verwacht de rechtbank dat de ouders zich hieraan zullen houden. Daarbij benadrukt de rechtbank dat, wanneer een van de ouders de omgangsregeling een keer niet kan nakomen, deze ouder dit op tijd moet aangeven bij de andere ouder, om zo teleurstelling bij [minderjarige] te voorkomen. Op deze manier kan [minderjarige] onbelast contact hebben met haar beide ouders.
Kinderalimentatie
De rechtbank zal het verzoek tot vaststelling van een kinderalimentatie afsplitsen onder zaaknummer C/09/703354. Dit verzoek zal op een nader te bepalen mondelinge behandeling worden besproken. In deze procedure zal dus geen inhoudelijke beslissing worden gegeven ten aanzien van dit verzoek.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te
[geboorteplaats] , bij de vader zal zijn:
  • tweewekelijks op zaterdag, met als ingangsdatum [dag 6] 2026;
  • de eerste vier keer van 14.00 uur tot 15.30 uur bij een speeltuin in de buurt of elders in onderling overleg. Daarbij zijn aanwezig [minderjarige] , de vader, de moeder en de grootmoeder van de zijde van de moeder;
  • de vier keer daarna van 14.00 uur tot 15.30 uur bij een speeltuin in de buurt of elders in onderling overleg. Daarbij zijn aanwezig [minderjarige] en de vader. De moeder brengt en haalt [minderjarige] op de afgesproken tijden;
  • de keer daarna van 14.00 uur tot 15.30 uur bij de vader thuis. Daarbij zijn aanwezig [minderjarige] , de vader, de moeder en de grootmoeder van de zijde van de moeder;
  • de drie keer daarna van 14.00 uur tot 15.30 uur bij de vader thuis. Daarbij zijn aanwezig [minderjarige] en de vader. De moeder brengt en haalt [minderjarige] op de afgesproken tijden;
  • en dat, wanneer dit goed loopt, dit in onderling overleg tussen de ouders kan worden uitgebreid naar drie uur per keer, dus van 14:00 uur tot 17:00 uur,
en verklaart deze omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad;
*
splitst het verzoek tot kinderalimentatie af onder zaaknummer C/09/703354 en bepaalt dat iedere verdere beslissing in deze procedure wordt voortgezet;
*
bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten draagt;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, bijgestaan door mr. T.A.L. Ravenhorst als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2026.