ECLI:NL:RBDHA:2026:1843

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
09/045155-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 303 SrArt. 82 SrArt. 46b SrArt. 126j SvArt. 29 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen voorbereidingshandelingen zware mishandeling met voorbedachten rade

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen tot zware mishandeling met voorbedachten rade, gepleegd met een vuurwapen. Het misdrijf betrof het schieten in het been van een onbekend gebleven persoon, waarbij verdachte samen met anderen handelde.

Het onderzoek omvatte meerdere zittingen en bewijs werd geleverd door chatberichten, telefoongegevens en verklaringen. De rechtbank oordeelde dat verdachte vanaf het begin op de hoogte was van de opdracht en meer deed dan alleen chauffeuren, waaronder het ophalen van een vuurwapen en het onderhouden van contact met opdrachtgevers. De rechtbank verwierp het verweer van vrijwillige terugtred omdat het misdrijf niet door verdachte werd afgebroken maar door technische problemen en beslissingen van de opdrachtgever.

De rechtbank besloot dat het volwassenenstrafrecht van toepassing is gezien de leeftijd en zelfstandigheid van verdachte. De strafmaat werd vastgesteld op 14 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht, ambulante behandeling, contactverbod en elektronische monitoring. Daarnaast werden twee telefoons verbeurd verklaard. De inzet van een informant leidde niet tot strafvermindering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 14 maanden gevangenisstraf, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen van voorbereidingshandelingen tot zware mishandeling met voorbedachten rade.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/045155-25
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats 1] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 mei 2025, 31 juli 2025 en 23 oktober 2025 (alle pro forma) en 21 januari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. J. Roosma en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. E.G.S. Roethof naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 februari 2025 tot en met 5 februari 2025 te Den Haag en/of Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten zware mishandeling met voorbedachte rade op een onbekend gebleven persoon (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 303 Wetboek Pro van Strafrecht oplevert), opzettelijk een of meer voorwerpen en/of stoffen en/of informatiedragers en/of vervoermiddelen, te weten:
- een vuurwapen,
- één of meer voertuigen,
- één of meer telefoon(s) en/of
- een notitie met daarop informatie betreffende en/of ten behoeve van het uit te voeren strafbare feit,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad.

3. De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op woensdag 5 februari 2025 werd er een schietincident gemeld op [school] te Den Haag. Er werd een slachtoffer met een schotwond aangetroffen, dit bleek [het slachtoffer] te zijn (hierna: [het slachtoffer] ). Op donderdag 6 februari 2025 overleed [het slachtoffer] in het ziekenhuis aan zijn verwondingen. Door de politie werd onderzoek gedaan naar de inhoud van de telefoon van [het slachtoffer] . Op basis van het eerste onderzoek bleek dat [het slachtoffer] kennelijk in de week voor zijn overlijden als verdachte betrokken was bij onder meer het voorbereiden van een ernstig misdrijf tussen 3 en 5 februari 2025 in Rotterdam. Uit nader onderzoek bleek dat [het slachtoffer] in de nacht van 3 op 4 februari 2025 met de verdachte in een voertuig staande is gehouden en dat hij later die dag contact heeft gehad over het plan om opnieuw op pad te gaan met de gebruiker van de accounts “ [account 1] ” en “ [account 2] ”. De verdachte heeft bekend de gebruiker te zijn geweest van deze accounts.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
Op specifieke standpunten wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Voorgenomen misdrijf en handelen van de verdachte
De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 3 februari 2025 via Snapchat is benaderd voor een opdracht om te chauffeuren. De verdachte heeft [het slachtoffer] opgehaald en ze zijn samen naar Rotterdam gereden, waar zij op twee locaties respectievelijk een notitie met informatie over de opdracht en een vuurwapen hebben opgehaald. Ook hebben zij gezamenlijk een voorverkenning gedaan bij de Wolphaertsbocht, de locatie waar de opdracht moest worden uitgevoerd. Niet lang daarna is het tweetal staande gehouden door de politie. Het plan in de nacht van 3 op 4 februari 2025 is vervolgens niet doorgezet. Uit het chatgesprek tussen [het slachtoffer] en een tegencontact met de gebruikersnaam “ [gebruikersnaam 1] ” blijkt dat de verdachte en [het slachtoffer] aan de opdrachtgever(s) hebben gevraagd of zij door moesten gaan met de opdracht, maar dit bleek te risicovol.
Uit Snapchatgesprekken blijkt verder dat de verdachte vervolgens in de avond van
4 februari 2025 contact heeft met [het slachtoffer] om een nieuw moment te vinden om de opdracht uit te voeren. Daarbij bespreken zij de voorbereidingen die zij nog moeten treffen. [het slachtoffer] was nog in het bezit van het vuurwapen en de verdachte had die dag beschikking tot een huurauto. Uit deze chatgesprekken blijkt voorts dat de verdachte contact heeft met de opdrachtgever(s). De opdrachtgever(s) blijk(en)(t) input te geven over het moment waarop de opdracht moet worden uitgevoerd, maar ook of de opdracht wel doorgang kan vinden nadat [het slachtoffer] meldde dat het vuurwapen niet blijkt te werken. Zo laat de verdachte weten dat ‘hij zegt eerder is beter’ en dat ‘die boys zeggen dat het misschien niet doorgaat door die p (de rechtbank begrijpt: het niet werkende vuurwapen)’. Uiteindelijk moeten de verdachte en [het slachtoffer] de opdracht die avond uitvoeren, maar de uitvoering wordt opnieuw afgebroken omdat de huurauto van de verdachte niet meer start. Op 5 februari 2025 in de middag neemt de verdachte nogmaals contact op met [het slachtoffer] en vraagt of hij ‘fit’ is.
Wetenschap van voorgenomen misdrijf
De vraag die de rechtbank als eerst moet beantwoorden is of de verdachte wetenschap heeft gehad van het voorgenomen misdrijf. De verdachte heeft namelijk verklaard via Snapchat enkel te zijn benaderd om te chauffeuren en slechts gaandeweg van de daadwerkelijke inhoud van de gegeven opdracht op de hoogte te zijn geraakt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De opdracht was naar het oordeel van de rechtbank vanaf begin af aan duidelijk. Het ging om een ‘legday’ (de rechtbank begrijpt: het schieten in iemands been), zo blijkt uit het Snapchatgesprek van (een van) de vermeende opdrachtgever(s), met gebruikersnaam [gebruikersnaam 2] die volgens de politie gekoppeld kan worden aan [naam] . De rechtbank acht aannemelijk dat dit van meet af aan gecommuniceerd is door de opdrachtgever(s). [het slachtoffer] bleek hiervan immers op de hoogte te zijn. Uit een chatgesprek aangetroffen op de telefoon van [het slachtoffer] blijkt immers dat [het slachtoffer] op 4 februari 2025 met “ [gebruikersnaam 1] ” spreekt over het ‘poppen’ van iemand voor ‘2 k’. Ook beschrijft hij daar de gang van zaken die nacht daarvoor. [het slachtoffer] geeft daarbij aan dat ze die nacht ‘alle info’ hebben gezien, en nadat ze waren gestopt door ‘coppa’ (de rechtbank leest: de politie) ‘die guy’ hadden gevraagd “of we tog wel die ding moesten klaren”. Verder verklaarde de [medeverdachte] in zijn verhoor dat de overleden jongen “ [het slachtoffer] ” de opdracht had gekregen iemand in zijn been te schieten. [het slachtoffer] had een wapen gekregen van [gebruikersnaam 2] , zo verklaarde [medeverdachte] .
Ter zitting heeft de verdacht verklaard dat hij nadat de auto in de nacht van 3 op 4 februari 2025 werd staande gehouden door de politie, te horen kreeg dat de opdracht was dat iemand in zijn been moest worden geschoten. De rechtbank overweegt dat deze gang van zaken niet past bij de hiervoor genoemde verklaringen.
Gelet op voornoemde omstandigheden en verklaringen in samenhang bezien, acht de rechtbank de verklaring van de verdachte volstrekt onaannemelijk en oordeelt dat het niet anders kan dat hij van meet af aan op de hoogte was van het voorgenomen misdrijf.
Medeplegen
De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of de verdachte zich met zijn handelingen schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het treffen van voorbereidingshandelingen tot het uitvoeren van de opdracht, te weten het schieten in de been van een onbekend gebleven persoon.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Bij de beoordeling of sprake is van medeplegen spelen onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip een rol.
De rechtbank stelt vast dat de verdachte meer was dan slechts de chauffeur. Niet alleen heeft hij samen met [het slachtoffer] de benodigde voorwerpen (briefje met adres en vuurwapen) opgehaald in de nacht van 3 op 4 februari 2025 en hebben zij gezamenlijk een voorverkenning uitgevoerd, maar hij was ook degene die in direct contact stond met de opdrachtgever(s), die aanwijzingen gaf en afstemming zocht over hoe laat ze moesten gaan, en dit vervolgens aan [het slachtoffer] communiceerde. Hieruit volgt dat de verdachte een grotere rol had in de voorbereiding van het strafbare feit dan enkel chauffeuren.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarbij is de bijdrage van de verdachte in de samenwerking van voldoende gewicht geweest om te spreken van medeplegen. Hiermee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Zware mishandeling met voorbedachte raad
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of de opdracht waartoe de voorbereidingen zijn getroffen, is aan te merken als zware mishandeling met voorbedachte raad.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat een aanmerkelijke kans dat, door als ongeoefende minderjarige met een vuurwapen op iemands been te schieten, zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht kan worden toegebracht. De rechtbank acht dit onderdeel dan ook bewezen.
De volgende vraag is of het bestanddeel 'voorbedachte raad' bewezen kan worden verklaard. Hiertoe moet komen vast te staan, dat de verdachte en zijn mededaders zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en zij niet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het voorgenomen misdrijf. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat er sprake is geweest van een duidelijk vooropgezet en uitgedacht plan. De verdachte heeft gesprekken gehad met [het slachtoffer] en anderen (onder meer de opdrachtgever(s)) in de dagen waarin de voorbereidingen werden getroffen. Voorts zijn er instructies en aanwijzingen gegeven en heeft een voorverkenning plaatsgevonden. Hieruit blijkt dat zij vóór de uitvoering van de voorbereidingshandelingen hebben nagedacht over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap hebben gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte en zijn mededaders zouden hebben gehandeld is niet gebleken. De rechtbank acht daarin van belang dat de dag na de eerste rit naar Rotterdam tussen de verdachte en [het slachtoffer] uitgebreid wordt gesproken over het volgende moment van uitvoering. Illustratief is dat de verdachte in de avond van 4 februari 2025 nog appt met [het slachtoffer] en zegt dat het nog wel voorbereid moet worden, waarop [het slachtoffer] aangeeft dat ze minder hoeven te regelen dan gisteren. De verdachte appt vervolgens dat dat hij nog wel een keer wil kijken, waarop [het slachtoffer] dat bevestigt, ook met betrekking tot de locatie waar de auto neergezet moet worden. Van enige contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan, is evenmin gebleken.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat de verdachte en [het slachtoffer] met voorbedachte
raad hebben gehandeld.
Conclusie
Met het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is verklaard.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op
meerderetijdstippen in de periode van 3 februari 2025 tot en met 5 februari 2025 in Nederland tezamen en in vereniging met
anderentelkens ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten zware mishandeling met voorbedachte rade op een onbekend gebleven persoon (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 303 Wetboek Pro van Strafrecht oplevert), opzettelijk
meerderevoorwerpen en informatiedragers en vervoermiddelen, te weten:
- een vuurwapen,
-
meerderevoertuigen,
-
meerderetelefoons en
- een notitie met daarop informatie betreffende het uit te voeren strafbare feit,
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde en van de verdachte

Het bewezen verklaarde en de verdachte zijn volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten.
Vrijwillige terugtred
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van vrijwillige terugtred. De verdachte zou namelijk pas rond de staande houding door de politie in Rotterdam bekend zijn geworden met de daadwerkelijke opdracht, te weten het schieten in een been, en zou toen een smoes hebben bedacht om onder de opdracht uit te komen.
De rechtbank stelt voorop dat van vrijwillige terugtred in de zin van artikel 46b Sr sprake is, indien de verdachte vrijwillig is teruggetreden voordat het misdrijf is voltooid. Of gedragingen van de verdachte toereikend zijn om de gevolgtrekking te wettigen dat het misdrijf niet is voltooid ten gevolge van omstandigheden die van zijn wil afhankelijk zijn, hangt – mede gelet op de aard van het misdrijf – af van de concrete omstandigheden van het geval.
De verklaring van de verdachte dat hij, al dan niet samen met [het slachtoffer] , als smoes om onder de klus uit te komen zou hebben bedacht dat het vuurwapen niet werkte, acht de rechtbank op basis van de inhoud van de chatgesprekken niet aannemelijk. Uit het chatgesprek tussen [het slachtoffer] en een tegencontact met de gebruikersnaam “ [gebruikersnaam 1] ” blijkt dat, na de staande houding van de verdachte en [het slachtoffer] in de nacht van 3 op 4 februari 2025, zij contact hebben opgenomen met de opdrachtgever(s) over de verdere uitvoering van de opdracht. Het was niet de verdachte die vervolgens besloot om de uitvoering te staken, maar de opdrachtgever. De verdachte en [het slachtoffer] zijn in de nacht van 3 op 4 februari 2025 staande gehouden, maar hebben daarna nog uitvoerig contact gehad om de opdracht op een later moment uit te voeren. Wederom komen zij niet tot uitvoering van de opdracht; ditmaal omdat het vuurwapen en vervolgens de huurauto niet naar behoren zouden werken. Het was dus wederom niet de wil van de verdachte, maar (mogelijke) technische mankementen die ertoe hebben geleid dat het voorgenomen misdrijf niet is voltooid. Nergens blijkt uit dat de verdachte en [het slachtoffer] geen uitvoering wilden geven aan de aan hen verstrekte opdracht. Het is juist [het slachtoffer] geweest die op 4 februari 2025 om 23:16 uur aan de verdachte het bericht stuurt dat hij het vuurwapen had getest, dat hij de trigger trekt en dat er niks gebeurt, “geen bullet”. Als de verdacht vervolgens op 5 februari 2025 om 00:23 uur laat weten dat hij de boys hoort zeggen dat het niet doorgaat vanwege het wapen, reageert [het slachtoffer] met “neetogg”, hetgeen eerder wijst op een teleurstelling dat geen uitvoering aan het plan wordt gegeven dan op een vooropgezet plan om onder de klus uit te komen. Sterker nog: de gesprekken tussen de verdachte en [het slachtoffer] gaan vervolgens over het opnieuw uitvoeren van de klus. Daarbij heeft de verdachte op 5 februari 2025 in de middag nog aan [het slachtoffer] gevraagd of hij ‘fit’ is. De rechtbank begrijpt dat de verdachte daarmee aan [het slachtoffer] vroeg of hij klaar was om de opdracht uit te voeren.
Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van vrijwillige terugtred. De rechtbank verwerpt het verweer.

5.De strafoplegging

5.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden:
  • begeleiding volwassenreclassering;
  • ambulante behandeling;
  • een contactverbod met de betrokkenen in dit dossier;
  • een locatiegebod met elektronische monitoring en een avondklok;
  • verplichting dagbesteding;
  • een verbod op sociale media, af te bouwen in overleg met reclassering;
  • controle door de reclassering van de gegevensdragers van de verdachte op internet en sociale media gebruik, zolang de reclassering het nodig vindt.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat toepassing moet worden gegeven aan het jeugdstrafrecht. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er rekening moet worden gehouden met de jeugdige leeftijd van de verdachte en dat er geen straf moet worden opgelegd waarbij het onvoorwaardelijke strafdeel de reeds ondergane voorlopige hechtenis overschrijdt.
Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de inzet van een informant in de zin van artikel 126j Wetboek van Strafrecht (hierna: Sv) dient te leiden tot strafvermindering, nu de inzet een schending van artikel 29 Sv Pro en artikel 6 Europees Pro Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) oplevert.
5.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft samen met anderen met voorbedachte raad voorbereidingshandelingen
verricht om aan een onbekend gebleven persoon met een vuurwapen zwaar lichamelijk
letsel toe te brengen. Dat het doel gelukkigerwijs niet is bereikt, heeft niet aan de verdachte en zijn medeverdachten gelegen. Door zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke en psychische integriteit van anderen. Door het plegen van dit feit worden bovendien in de maatschappij levende gevoelens van angst en onveiligheid aangewakkerd. Dit geldt te meer gelet op het ogenschijnlijke gemak waarmee dergelijke feiten door veelal jonge jongens, aangespoord door aanbiedingen via sociale media om snel geld te verdienen, worden gepleegd. De rechtbank ziet dat ook bij deze verdachte en vindt dit zeer verontrustend.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare
feiten. Dit heeft dan ook geen invloed op de hoogte van de straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 28 mei 2025. Daaruit volgt – kort samengevat – het advies om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. De verdachte woont bij zijn moeder, zou actief deelnemen aan het gezin en zou ontvankelijk zijn voor de ondersteuning van zijn ouders. De reclassering ziet hiermee mogelijkheden tot pedagogische beïnvloeding van de verdachte. Voorts zou de verdachte gemakkelijk beïnvloed worden door zijn vrienden en hierbij niet altijd de gevolgen van zijn handelen overzien. Bovendien zou de verdachte voornemens zijn om een opleiding te starten. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor de toepassing van het jeugdstrafrecht.
Toepassing jeugdstrafrecht?
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit 19 jaar oud was. Het uitgangspunt is dan dat berechting plaatsvindt volgens het volwassenenstrafrecht.
Met betrekking tot de vraag of er, in afwijking van dit uitgangspunt, aanleiding bestaat om het jeugdstrafrecht toe te passen, overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat de verdachte overkomt als een zelfstandig opererende jongvolwassene. Hij volgde voor zijn aanhouding geen opleiding en had twee banen. Voorts huurde hij zelfstandig auto’s, ging hij zelfstandig langere tijd naar België, en overwoog hij ten tijde van zijn detentie ook om naar Spanje te emigreren. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte in staat is zelfstandig beslissingen te nemen. Ook ziet de rechtbank in onvoldoende mate terug dat hij een beïnvloedbare jongen is. Zo is hij bewust overgegaan tot het plegen strafbare feiten, omdat hij – zo volgt uit tapgesprekken van de verdachte – geld wilde verdienen om een financieel probleem met een opdrachtgever van een ander strafbaar feit op te lossen. De verdachte heeft bovendien ook een coördinerende rol gehad in het gepleegde strafbare feit. Nadat de verdachte was aangehouden, heeft hij zijn opdrachtgever bovendien onder druk willen zetten door in detentie iemand te verzoeken Vapi (de rechtbank begrijpt: de opdrachtgever [gebruikersnaam 2] ) te berichten dat hij snel moet betalen, omdat de verdachte anders zijn naam noemt. Voorts bestaat bij de rechtbank op basis van het berichtenverkeer van de verdachte het vermoeden dat de verdachte zich vaker in vergelijkbare criminele milieus en situaties begeeft, waarin illegale klussen worden aangeboden of strafrechtelijke feiten worden beraamd en gepleegd, waaronder F-games (fraude) in België. Uit het reclasseringsadvies volgt dat de verdachte meent niet door zijn vrienden in de gevangenis te zitten (de rechtbank begrijpt: dat verdachte dus niet door zijn vrienden beïnvloed is) en hij heeft benoemd de normen en waarden van de sociale kringen waar hij zich in begeeft steeds normaler te gaan vinden. Tot slot gedijt de verdachte goed in de reguliere penitentiaire inrichting.
De rechtbank ziet verder onvoldoende mogelijkheden tot pedagogische beïnvloeding van de verdachte. Zo is hij niet open naar zijn ouders, onder meer over hoe hij zijn geld verdient en het gepleegde strafbare feit, zodat de ouders – zo zij zouden willen en kunnen – ook niet de mogelijkheid krijgen om hem in positieve zin te beïnvloeden. Daarbij komt dat de verdachte, hoewel hij aangeeft meestal naar zijn moeder te luisteren, zichzelf een volwassen man noemt die zelf beslissingen neemt.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank, anders dan de reclassering, in de persoonlijkheid van de verdachte onvoldoende aanleiding om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht. De rechtbank zal bij de strafoplegging dan ook uitgaan van het volwassenenstrafrecht.
Stelselmatige inwinning van informatie ex artikel 126j Sv
Artikel 126j Sv voorziet in de mogelijkheid voor het stelselmatig inwinnen van informatie waarbij een opsporingsambtenaar, zonder dat kenbaar is dat hij als zodanig optreedt, onder een andere identiteit in de omgeving van de verdachte verkeert en, met schending van diens vertrouwen, met de verdachte in contact komt. Toepassing van artikel 126j Sv ten aanzien van een voorlopig gehechte verdachte bergt licht het gevaar in zich dat de verdachte op zodanige wijze feitelijk komt te verkeren in een verhoorsituatie waarbij de waarborgen van een formeel verhoor door een politiefunctionaris ontbreken, dat aldus verklaringen worden verkregen die in strijd met de in artikel 29, eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en in artikel 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid van de verdachte zijn afgelegd. Het uitgangspunt bij de inzet van een informant ex artikel 126j Sv is dat dit aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet.
Indien aan voornoemd uitgangspunt is voldaan, komt de rechtbank voor de vraag te staan of informatie van de verdachte niet in strijd met voormelde bepalingen is verkregen. De beantwoording van die vraag hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij komt onder meer betekenis toe aan de proceshouding die de verdachte met betrekking tot de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht heeft ingenomen en hetgeen zich in het voorbereidend onderzoek voor en gedurende de periode waarin de informant optreedt heeft afgespeeld, de aard en intensiteit van de door de informant ondernomen activiteiten jegens de verdachte, de mate van druk die daarvan jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de informant tot de desbetreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid.
Met betrekking tot de vraag of er strafvermindering dient te volgen naar aanleiding van de inzet van de informant op grond van artikel 126j Sv overweegt de rechtbank als volgt.
Uit het dossier blijkt dat een week na de aanhouding van de verdachte een bevel tot het stelselmatig inwinnen van informatie is afgegeven door de officier van justitie. De verdachte is vervolgens, op de luchtplaats van het arrestantencomplex van het politiebureau te Leiden, in aanraking gekomen met de informant en heeft hem verteld over het door hem gepleegde feit. Het doel van de inzet van de informant was het achterhalen van informatie over de opdrachtgever en het beoogde subject. De verdenking die op dat moment tegen de verdachte bestond, te weten een poging tot liquidatie, was zeer ernstig. Op dat moment kon immers nog niet worden uitgesloten dat de dreiging voor het beoogde slachtoffer nog bestond. De verdachte had op dat moment nog geen inzage gegeven in zijn handelen en de eventuele betrokkenheid van anderen. Gelet op de voorgaande omstandigheden in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de inzet in overeenstemming was met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de verklaring die de verdachte tegen de informant heeft afgelegd, en de wijze waarop hij tot die verklaring is gekomen, niet in strijd zijn geweest met de verklaringsvrijheid van de verdachte volgens artikel 29, eerste lid Sv en artikel 6, eerste lid EVRM. De verdachte had zich destijds weliswaar beroepen op zijn zwijgrecht, maar uit het dossier is gebleken dat hij dit enkel op advies van zijn advocaat had gedaan en eigenlijk graag een verklaring wilde afleggen. Voorts heeft de verdachte aan de informant verklaard te zijn gewaarschuwd door zijn advocaat voor mogelijke ‘undercovers’. Hij was zich dus bewust van het risico op informanten, en heeft evengoed verklaard over het strafbare feit aan een voor hem onbekend persoon. Daar komt bij er maar één gesprek van ongeveer een uur heeft plaatsgevonden en dat dit, blijkens de verklaring van de informant, een gelijkwaardig gesprek is geweest, zonder toepassing van enige verhoormethodiek. Er is geen sprake geweest van ongeoorloofde druk.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte bij de informant niet in strijd is met artikel 29 Sv Pro en artikel 6 EVRM Pro. De inzet van de informant ex artikel 126j Sv geeft derhalve geen aanleiding tot vermindering van de op te leggen straf.
Straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld een gevangenisstraf een jaar bij een voltooide zware mishandeling met behulp van een wapen, niet zijnde een vuurwapen. Gelet op het feit dat de verdachte schuldig is aan voorbereiding van dit feit, zal de rechtbank het uitgangspunt verminderen met de helft, waardoor het uitgangspunt in dit geval uitkomt op zes maanden. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat er sprake is van voorbedachte raad, dat het feit in vereniging is gepleegd, er een vuurwapen gebruikt zou worden en heeft plaatsgevonden in de nachtelijke uren.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank zal tevens een voorwaardelijk strafdeel opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan voorwaarden verbinden om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden begeleiding van de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met betrokkenen in dit dossier, een locatiegebod met elektronische monitoring met een avondklok, verplichting dagbesteding en controle door de reclassering van de gegevensdragers van de verdachte op internet en sociale media gebruik, zolang de reclassering het nodig vindt. Een algeheel verbod op sociale media, zoals verzocht door de officier van justitie, vindt de rechtbank een te verstrekkende voorwaarde. Gelet op de omstandigheid dat de verdachte veelvuldig communiceerde via sociale media om tot het strafbare feit te komen, maakt wel dat de reclassering het gebruik van gegevensdragers door de verdachte sporadisch moet kunnen controleren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

6.De inbeslaggenomen voorwerpen

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen op de beslaglijst d.d. 21 januari 2026, te weten twee telefoons, verbeurd dienen te worden verklaard.
De officier van justitie heeft verder toegelicht dat de goederen die op de beslaglijst d.d. 13 maart 2025 staan, zijn overgedragen naar een ander onderzoek dat wordt gedaan aangaande de verdachte ter zake van andere strafbare feiten. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht hier thans geen beslissing op te nemen.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst d.d. 21 januari 2026 onder 1 en 2 genoemde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De rechtbank neemt geen beslissing op de beslaglijst d.d. 13 maart 2025, betreffende twee geldbedragen. De rechtbank begrijpt de toelichting van de officier van justitie aldus dat de in beslaggenomen goederen horen bij een ander strafrechtelijk onderzoek naar de verdachte, waardoor nog een strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van dit beslag en dat de officier van justitie in dat licht de beslaglijst in de onderhavige zaak heeft ingetrokken.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 46, 47 en 303 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8. De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
medeplegen van voorbereidingshandelingen tot zware mishandeling gepleegd met voorbedachten rade;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
14 (veertien) maanden;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
2 (twee) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [medeverdachte] (geboren [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats 1] ) en [naam] (geboren op [geboortedatum 3] 1998 te [geboorteplaats 2] ), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
- gedurende de proeftijd voor maximaal zes maanden op vooraf door de reclassering vastgestelde tijdstippen aanwezig is op de navolgende locatie: [adres] ; waarbij in ieder geval een avondklok geldt van 21.00 uur tot 07.00 uur, aan te passen door de reclassering; en waarbij de veroordeelde zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;
- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland, op het adres Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH te Den Haag, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht en zich houdt aan de aanwijzingen van en afspraken met de reclassering;
- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, onder behandeling stelt van een De Waag of een soortgelijke zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorgverlener aan te geven. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk, scholing en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- meewerkt aan de controle van al zijn gegevensdragers tijdens een huisbezoek. De veroordeelde verschaft toegang tot alle aanwezige computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarop gegevens kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd. De veroordeelde verstrekt de gebruikersnamen en wachtwoorden die nodig zijn voor deze controle. De controle op digitale gegevensdragers vindt maximaal drie keer per jaar plaats. De controle is gericht op de vraag of de veroordeelde zich houdt aan de voorwaarden en of er sprake is van verantwoord gebruik van sociale media. De controle strekt er niet toe een beeld te krijgen van het persoonlijk leven van de veroordeelde;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
voorlopige hechtenis;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten:
- de iPhone XR (IBN code: WILLS05.01);
- de Samsung Galaxy S21 (IBN code: WILLS05.02).
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.W. de Wit, voorzitter,
mr. W.G. de Boer, kinderrechter,
mr. T.E.F. Reijnders, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mrs. M. den Besten en L. Molenaar, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 februari 2026.