Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats], eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
lawful’ zijn, een ‘
legitimate aim’ dienen en een ‘
fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. [5]
lawful’ moet zijn, veronderstelt dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is. Aan dit vereiste is voldaan nu de heffing over fictief regulier voordeel een basis heeft in het nationale recht - de Wet IB 2001 - en deze wet voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is in de uitoefening. Daarnaast biedt de wet procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van de inbreuk. Dat voor specifieke leningen geen tegenbewijsregeling is opgenomen, doet er niet aan af dat de inbreuk ‘
lawful’is.
fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. [7]
fair balance’ respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. [8] Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond ontbloot is. [9]
fair balance’of met artikel 14 van Pro het EVRM. Eiseres stelt dat artikel 14 van Pro het EVRM wordt geschonden doordat de wetgever geen onderscheid maakt tussen geldleningen die voldoen aan de zakelijkheidsvereisten en geldleningen die dat niet doen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Het doel van de Wet excessief lenen is om het (langdurig) uitstel en mogelijk afstel van belastingheffing door aanmerkelijkbelanghouders tegen te gaan. Daarbij is van belang dat de aanmerkelijkbelanghouder op enig moment de beschikking heeft gehad over het geleende bedrag. Niet van belang is of geldleningen een zakelijk karakter hebben of niet. De wetgever heeft er dan ook bewust voor gekozen om, behoudens kwalificerende eigenwoningschulden, alle geldleningen in aanmerking te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van gelijke behandeling van ongelijke gevallen en is artikel 14 van Pro het EVRM niet geschonden.
determination of civil rights and obligations’ in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM. [11] Naar het oordeel van de rechtbank vormt de heffing over fictief regulier voordeel ook geen ‘
criminal charge’ in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM. Dat beoogd is een ontmoedigende werking te laten uitgaan van de regeling, maakt niet dat heffing over fictief regulier voordeel daardoor een bestraffend of afschrikwekkend karakter krijgt dat de aard van het belastbare feit ‘
criminal’ maakt. Ook kan niet worden gezegd dat toepassing van de heffing een sanctie van zodanige aard en zwaarte vormt dat deze op zichzelf als ‘
criminal charge’moet worden aangemerkt of dat deze gericht is op het toevoegen van leed aan de belastingplichtige. De artikelen 6 en 7 van het EVRM zijn dan ook niet van toepassing.