ECLI:NL:RBDHA:2026:18508

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
25_7004
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 EP EVRMArt. 6 EVRMArt. 7 EVRMArt. 14 EVRMArt. 4.12 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt rechtmatigheid belastingheffing fictief regulier voordeel bij excessief lenen

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiseres tegen een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2023, opgelegd door de Belastingdienst. Het geschil betrof de vraag of de heffing over het fictief regulier voordeel op stelselniveau, voortvloeiend uit de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap, in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en de artikelen 6, 7 en 14 van het EVRM.

Eiseres stelde dat de belastingheffing onrechtmatig is omdat deze inbreuk maakt op het eigendomsrecht en het discriminatieverbod schendt. De rechtbank oordeelde dat de heffing een gerechtvaardigde inbreuk vormt op het eigendomsrecht, een legitiem algemeen belang dient en binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt. De proportionaliteitstoets werd doorstaan, mede doordat de wetgever overgangstermijnen en uitzonderingen, zoals voor eigenwoningschulden, heeft opgenomen.

Verder concludeerde de rechtbank dat de regeling niet discrimineert, omdat het onderscheid tussen zakelijke en onzakelijke leningen bewust niet wordt gemaakt vanwege uitvoerbaarheid en het doel van de regeling. Ook werd geoordeeld dat de artikelen 6 en 7 EVRM niet van toepassing zijn omdat het niet gaat om een strafrechtelijke sanctie.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de aanslag IB/PVV terecht is vastgesteld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de aanslag inkomstenbelasting over het fictief regulier voordeel.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/7004

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: drs. M.A.M. Vos-Overmeer),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 september 2025 de aanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026.
Namens eiseres zijn de gemachtigde en mr. C.R. Bor verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] , mr. [medewerker belastingdienst 2] , [medewerker belastingdienst 3] MSc, drs. [medewerker belastingdienst 4] en mr. [medewerker belastingdienst 5].

Overwegingen

Feiten
1. De partner van eiseres hield in 2023 alle aandelen in de vennootschap [vennootschap] B.V. (de vennootschap). Zijn rekening-courantschuld aan de vennootschap heeft het volgende verloop:
Ultimo jaar
Schuld
2017
€ 654.798
2018
€ 744.545
2019
€ 744.084
2020
€ 769.583
2021
€ 784.208
2022
€ 797.164
2023
€ 801.919
2. In haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2023 heeft eiseres een totaalschuld aan ab-vennootschappen opgenomen van € 801.919. Het aangegeven fictief regulier voordeel bedraagt € 101.919. Daarvan is € 11.440 aan eiseres toegerekend en € 90.479 aan haar partner.
3. De aanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van -/- € 166 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 11.440.
Geschil
4. In geschil is of verweerder terecht belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belastingheffing over fictief regulier voordeel op stelselniveau strijdig is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel met de artikelen 6, 7 en 14 van het EVRM.
5. Eiseres stelt dat ten onrechte belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen. Volgens eiseres is belastingheffing over fictief regulier voordeel in strijd met artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM en de artikelen 6, 7 en 14 van het EVRM.
6. Verweerder stelt dat terecht belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking is genomen.
Beoordeling van het geschil
7. Per 1 januari 2023 is de Wet IB 2001 gewijzigd als gevolg van de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap (de Wet excessief lenen). [1] Artikel 4.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Tot de reguliere voordelen bedoeld in artikel 4.12, onderdeel a, behoren mede:
(…)
f. het bovenmatige deel van schulden die de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft bij vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft (het fictief reguliere voordeel), waarbij onder schulden wordt verstaan: alle civielrechtelijke schuldverhoudingen en verplichtingen.”
8. Artikel 4.14a, van de Wet IB 2001 luidt, voor zover hier van belang, als volgt (tekst 2023):
“1. Als het bovenmatige deel van schulden, bedoeld in artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, wordt in aanmerking genomen:
a. als positief bedrag: de totale som van die schulden voor zover deze het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, overschrijdt;
b. als negatief bedrag: de totale som van die schulden voor zover deze lager is dan het maximumbedrag, bedoeld in het tweede lid, doch ten hoogste het bedrag dat eerder ingevolge onderdeel a of op grond van een naar aard en strekking daarmee vergelijkbare buitenlandse regeling in de heffing is betrokken, voor zover ter zake van dat bedrag nog niet eerder een negatief bedrag als het bovenmatige deel van schulden in aanmerking is genomen.
2. Het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, bedraagt € 700.000, vermeerderd met de bedragen die eerder op grond van artikel 4.13, eerste lid, onderdeel f, of op grond van een naar aard en strekking daarmee vergelijkbare buitenlandse regeling in de heffing zijn betrokken.
(…)
6. Een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a blijft bij de toepassing van het eerste lid buiten aanmerking voor zover ter zake van die eigenwoningschuld een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de vennootschap.”
9. In de wetsgeschiedenis van de Wet excessief lenen is in de memorie van toelichting, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
“Nederland heeft een belastingstelsel dat erop gericht is zo min mogelijk een belemmerende factor te zijn voor Nederlandse bedrijven om te ondernemen. Een onbedoeld effect van dit stelsel is dat directeurgrootaandeelhouders en andere aanmerkelijkbelanghouders langdurig belastingheffing kunnen uitstellen en soms vindt door het langdurige belastinguitstel zelfs helemaal geen belastingheffing meer plaats. Door liquide middelen als lening aan de eigen vennootschap te onttrekken in plaats van als dividend uit te laten keren of loon te genieten, wordt belastingheffing op dat moment voorkomen. Het kabinet wil deze vorm van belastingontwijking als gevolg van het langdurig uitstellen (of definitief afstellen) van belastingheffing in excessieve gevallen tegengaan. Daarom is in dit wetsvoorstel een maatregel opgenomen om excessief lenen bij de eigen vennootschap te ontmoedigen.
Een directeur-grootaandeelhouder heeft als aanmerkelijkbelanghouder nauwe verbondenheid met de vennootschap waarin hij aandelen houdt, waardoor hij de mogelijkheid heeft gelden te lenen van de eigen vennootschap in plaats van deze gelden als loon of dividend uit te laten keren, terwijl hij wel over de middelen beschikt. Door gelden te lenen kan de aanmerkelijkbelanghouder de belastingheffing over deze gelden langdurig uitstellen of in sommige gevallen zelfs afstellen. Het totaal aan schulden van aanmerkelijkbelanghouders aan hun vennootschappen bedroeg in 2016 ruim € 55 miljard, waarvan slechts een klein aantal aanmerkelijkbelanghouders meer dan de helft heeft geleend. Dit gegeven is aanleiding om maatregelen voor te stellen die deze excessieve leenverhoudingen ontmoedigen. Om dit belastinguitstel en mogelijke -afstel te voorkomen en terug te nemen is in het wetsvoorstel een maatregel tegen excessief lenen opgenomen. Indien de totale som van de schulden van de aanmerkelijkbelanghouder aan zijn eigen vennootschap meer dan € 500.000 bedraagt, wordt dat meerdere op grond van die maatregel in de vorm van een fictief regulier voordeel als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen.” [2]
“Alle typen leningen vallen in beginsel onder de regeling ter bepaling van het totaalbedrag aan schulden. Daarnaast worden alle schulden van de aanmerkelijkbelanghouder bij meerdere van zijn vennootschappen voor de toepassing van deze maatregel samengenomen. Het gaat dus om de totale omvang van de schulden.
Gelet op het doel van de regeling (het tegengaan van belastinguitstel en -afstel) is een onderscheid in verschillende type leningen en de aanwending van de geleende gelden niet relevant. Zowel in het geval waarin de aanmerkelijkbelanghouder onvoldoende vermogen heeft om de schuld (op termijn) terug te betalen, als in de situatie waarin de aanmerkelijkbelanghouder wel voldoende vermogen heeft en de schuld al dan niet heeft gesecureerd met een zekerheidsrecht, beschikt de aanmerkelijkbelanghouder over de geleende gelden. Het maken van een onderscheid tussen gedekte en ongedekte leningen of op basis van de aanwending van de geleende gelden is bovendien dusdanig complicerend in de uitvoering voor de Belastingdienst, dat het zeer problematisch is dit onderscheid in leningen te handhaven en te controleren. Met het oog op de hiervoor genoemde achtergrond van de voorgestelde maatregel wordt daarom geen tegenbewijsmogelijkheid opgenomen voor specifieke typen leningen, zoals zakelijke, gedekte of gesecureerde leningen.” [3]
10. In het nader rapport is opgenomen:
“De uitzondering voor leningen die zijn aangegaan bij de eigen vennootschap ten behoeve van de financiering van de eigen woning hangt samen met de voor de aanmerkelijkbelanghouder (en zijn gezin) mogelijk ingrijpende gevolgen van de maatregel. Wel heeft het kabinet gemeend een aanscherping voor nieuwe eigenwoningschulden op te moeten nemen in de vorm van de aanvullende voorwaarde dat een recht van hypotheek is gevestigd op de eigen woning.
Het kabinet heeft bewust gekozen om het wetsvoorstel niet op onzakelijke leningen dan wel op verkapte dividenduitdelingen te richten, maar op de excessieve situaties waarin, door te lenen van de eigen vennootschap, in privé wordt beschikt over de middelen van die vennootschap. Ook in het geval waarin een lening zakelijk of gedekt is, heeft de aanmerkelijkbelanghouder namelijk al beschikking over de middelen uit de vennootschap zonder dat daarover belastingheffing heeft plaatsgevonden. Daarnaast geldt dat het uitsplitsen van zakelijke en gedekte leningen zowel beleidsmatig als uitvoeringstechnisch tot complexiteit leidt, waarin de grote verscheidenheid in type leningen, leningsvoorwaarden, vennootschappen en risicoprofielen van de lener sterk casuïstisch zijn en gedurende de looptijd van de lening ook kunnen wijzigen.
(…)
Het kabinet heeft ervoor gekozen de maatregel in september 2018 aan te kondigen. Op deze wijze zouden aanmerkelijkbelanghouders ruim vier jaar de tijd hebben om hun schuldposities terug te brengen door bijvoorbeeld dividend uit te keren of door af te lossen vanuit privévermogen. Een groot aantal aandeelhouders heeft inmiddels ook daadwerkelijk geanticipeerd op de komst van dit wetsvoorstel. Voor andere aanmerkelijkbelanghouders kan echter meer tijd nodig zijn om de noodzakelijke maatregelen te treffen. Aangezien het kabinet het advies van de Afdeling om die reden begrijpt, is besloten hieraan tegemoet te komen door de inwerkingtredingsdatum in het wetsvoorstel met een jaar op te schuiven tot 1 januari 2023. Op deze manier hebben aanmerkelijkbelanghouders een additioneel jaar – namelijk tot 31 december 2023 – de tijd om te anticiperen op de inwerkingtreding van de wet.” [4]
11. De rechtbank stelt voorop dat het heffen van belasting een inbreuk vormt op het door artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom. Deze inbreuk is in het algemeen gerechtvaardigd, aangezien de tweede alinea van deze bepaling voorziet in een uitzondering om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Wel moet die inbreuk volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ‘
lawful’ zijn, een ‘
legitimate aim’ dienen en een ‘
fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. [5]
Lawful
12. De eis dat de inbreuk ‘
lawful’ moet zijn, veronderstelt dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is. Aan dit vereiste is voldaan nu de heffing over fictief regulier voordeel een basis heeft in het nationale recht - de Wet IB 2001 - en deze wet voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is in de uitoefening. Daarnaast biedt de wet procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van de inbreuk. Dat voor specifieke leningen geen tegenbewijsregeling is opgenomen, doet er niet aan af dat de inbreuk ‘
lawful’is.
Legitimate aim
13. In artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM ligt besloten dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom een legitiem doel in het algemeen belang dient na te streven. Bij de beoordeling of een maatregel in het algemeen belang is, komt op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toe aan de wetgever. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat oordeel evident van redelijke grond is ontbloot. [6]
14. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de doelstelling van de heffing over fictief regulier voordeel is gelegen in het voorkomen van uitstel en afstel van belastingheffing. Daarmee is sprake van een legitiem doel in het algemeen belang. De keuze van de wetgever voor een heffing over fictief regulier voordeel is niet evident van redelijke grond ontbloot. Hetzelfde geldt voor de keuze van de wetgever om de eigenwoningschuld in beginsel buiten de grondslag van de heffing te laten. Die keuze brengt, zoals eiseres terecht stelt, weliswaar mee dat minder belasting wordt geheven, maar dat leidt er niet toe dat de inbreuk een legitieme doelstelling in het algemeen belang ontbeert.
Fair balance
15. Bij de beoordeling of de heffing over fictief regulier voordeel op stelselniveau de ‘
fair balance’ respecteert, gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid. [7]
16. Bij deze proportionaliteitstoets komt ook het in artikel 14 van Pro het EVRM neergelegde discriminatieverbod in beeld. Deze bepaling verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen of gelijke behandeling van ongelijke gevallen, doch alleen die welke als onrechtmatige discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Van een stelsel dat onverenigbaar is met dit discriminatieverbod kan niet worden gezegd dat het de ‘
fair balance’ respecteert. Ook hierbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsvrijheid toe bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van deze bepalingen als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen. [8] Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het evident van redelijke grond ontbloot is. [9]
17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van strijdigheid met de hiervoor genoemde ‘
fair balance’of met artikel 14 van Pro het EVRM. Eiseres stelt dat artikel 14 van Pro het EVRM wordt geschonden doordat de wetgever geen onderscheid maakt tussen geldleningen die voldoen aan de zakelijkheidsvereisten en geldleningen die dat niet doen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Het doel van de Wet excessief lenen is om het (langdurig) uitstel en mogelijk afstel van belastingheffing door aanmerkelijkbelanghouders tegen te gaan. Daarbij is van belang dat de aanmerkelijkbelanghouder op enig moment de beschikking heeft gehad over het geleende bedrag. Niet van belang is of geldleningen een zakelijk karakter hebben of niet. De wetgever heeft er dan ook bewust voor gekozen om, behoudens kwalificerende eigenwoningschulden, alle geldleningen in aanmerking te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van gelijke behandeling van ongelijke gevallen en is artikel 14 van Pro het EVRM niet geschonden.
18. Eiseres stelt daarnaast dat de heffing over fictief regulier voordeel disproportioneel is omdat deze een radicale wijziging vormt en zonder overgangsrecht is ingevoerd. De rechtbank volgt eiseres ook hierin niet. Uit de hierboven aangehaalde wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever zich rekenschap heeft gegeven van de mogelijke gevolgen van de heffing over fictief regulier voordeel voor aanmerkelijkbelanghouders. Alvorens de heffing is ingevoerd hebben de aanmerkelijkbelanghouders vijf jaar de tijd gekregen om op de nieuwe wetgeving te anticiperen; de heffing is immers al in september 2018 aangekondigd. Daarnaast heeft de wetgever ervoor gekozen een eventuele eigenwoningschuld in beginsel buiten aanmerking te laten, wordt bij terugbetaling van eerder in de heffing betrokken schulden negatief regulier voordeel in aanmerking genomen en is de in de wet opgenomen drempel van de regeling voor het jaar 2023 € 200.000 hoger bepaald dan in het oorspronkelijke wetsvoorstel was beoogd. Naar het oordeel van de rechtbank is onder deze omstandigheden in samenhang bezien sprake van een redelijke, proportionele verhouding tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel en is de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid gebleven. Dat de wetgever ook voor andere, minderverstrekkende alternatieven had kunnen kiezen om belastinguitstel en -afstel door aanmerkelijkbelanghouders te voorkomen, doet daar niet aan af.
19. De stelling van eiseres dat de heffing over fictief regulier voordeel in strijd komt met het draagkrachtbeginsel, slaagt evenmin. Zoals hiervoor overwogen is het doel van de heffing om belastinguitstel en -afstel door de aanmerkelijkbelanghouder te voorkomen en worden uitsluitend gelden in de heffing betrokken waarover de aanmerkelijkbelanghouder heeft beschikt. In zoverre wijkt de heffing dan ook af van de door de Hoge Raad [10] als strijdig met artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM en artikel 14 van Pro het EVRM verworpen box 3-heffing waarbij belastingplichtigen werden geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger was dan het werkelijk behaalde rendement.
20. Eiseres heeft erop gewezen dat een aanmerkelijkbelanghouder die aflost op de schuld aan de eigen vennootschap, het verlies uit aanmerkelijk belang dat hij daarmee realiseert niet altijd kan verrekenen. Nu een dergelijk situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet, kan deze constatering niet leiden tot een gegrond beroep.
21. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de heffing over fictief regulier voordeel een gerechtvaardigde inbreuk vormt op het ongestoord genot van eigendom. Van schending van artikel 1 van Pro het EP bij het EVRM is geen sprake.
Artikel 6 en Pro 7 van het EVRM
22. Naar vaste jurisprudentie betreft het heffen van belasting niet de ‘
determination of civil rights and obligations’ in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM. [11] Naar het oordeel van de rechtbank vormt de heffing over fictief regulier voordeel ook geen ‘
criminal charge’ in de zin van artikel 6 van Pro het EVRM. Dat beoogd is een ontmoedigende werking te laten uitgaan van de regeling, maakt niet dat heffing over fictief regulier voordeel daardoor een bestraffend of afschrikwekkend karakter krijgt dat de aard van het belastbare feit ‘
criminal’ maakt. Ook kan niet worden gezegd dat toepassing van de heffing een sanctie van zodanige aard en zwaarte vormt dat deze op zichzelf als ‘
criminal charge’moet worden aangemerkt of dat deze gericht is op het toevoegen van leed aan de belastingplichtige. De artikelen 6 en 7 van het EVRM zijn dan ook niet van toepassing.
23. Gelet op het voorgaande is de aanslag IB/PVV voor het jaar 2023 niet te hoog vastgesteld. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
Proceskosten
24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Welie, voorzitter, en mr. S.E. Postema en mr. P.E. Halprin, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Stb. 2022, 531.
2.Kamerstukken II 2019/20, 35 496, nr. 3, p. 1-2.
3.Kamerstukken II 2019/20, 35 496, nr. 3, p. 8-9.
4.Kamerstukken II 2019/20, 35 496, nr. 4, p. 6-7.
5.EHRM 5 januari 2000, ECLI:CE:ECHR:2000:0105JUD003320296 (
6.Zie Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1523, r.o. 4.3.2.
7.Vgl. Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, r.o. 2.4.3.
8.Vgl. Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, r.o. 3.2.2
9.Vgl. Hoge Raad 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1789, r.o. 4.2.2.
10.Zie Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963 en Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704.
11.Zie EHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 (