ECLI:NL:HR:2023:1789
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt erfbelastingheffing op legaat ter voldoening aan natuurlijke verbintenis
Belanghebbende had een legaat van €50.000 ontvangen van erflater, die haar jarenlang huishoudelijke werkzaamheden had laten verrichten zonder noemenswaardige beloning. Erflater had dit legaat in zijn testament opgenomen als voldoening van een natuurlijke verbintenis.
De Inspecteur legde erfbelasting op over het legaat, omdat het volgens hem een verkrijging krachtens erfrecht betrof. Belanghebbende stelde dat het legaat moest worden aangemerkt als een schenking bij leven, vrijgesteld van schenkbelasting op grond van artikel 33, aanhef en onder 12°, Successiewet 1956 (SW).
Het Gerechtshof Den Haag verwierp dit standpunt en oordeelde dat het legaat een verkrijging krachtens erfrecht is, die belast kan worden met erfbelasting. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de wetgever bewust heeft gekozen om verkrijgingen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis niet vrij te stellen van erfbelasting, ook al geldt die vrijstelling voor schenkbelasting.
De Hoge Raad verwierp tevens het beroep op het verdragsrechtelijke discriminatieverbod, omdat de wetgever een redelijke grond had voor de verschillende behandeling van verkrijgingen bij leven en bij overlijden. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en bevestigt de erfbelastingheffing over het legaat ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis.