ECLI:NL:RBDHA:2026:18523

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/9713
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging opvang vreemdelingen in Utrecht

De zaak betreft het bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister om de opvang en begeleiding van vreemdelingen via de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht te beëindigen per 1 januari 2025. Eiser maakte bezwaar tegen deze beëindiging, maar de minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiser geen procesbelang meer zou hebben.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiser maakt geen gebruik meer van de LVV-opvang en heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend, waardoor hij recht heeft op opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank ziet geen feitelijke betekenis meer in het bezwaar tegen de LVV-beëindiging.

Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn van twee jaar nog niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de LVV-opvang wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/9713

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister, waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Vrijstelling van betaling griffierecht

2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.

Feiten

3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.1.
In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.
4.1.
Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. [1]
4.2.
In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.
4.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.
5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.
5.1.
De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).