Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
De minister van Asiel en Migratie legde op 3 maart 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel duurde voort en de minister overhandigde een voortgangsrapportage. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelde en dat er geen concreet zicht was op uitzetting, mede omdat de Algerijnse autoriteiten nog niet hadden bevestigd dat zij zijn identiteit en nationaliteit konden vaststellen.
De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring reeds eerder was getoetst en rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag lag. De beoordeling van de voortzetting richtte zich daarom op de periode daarna. De rechtbank stelde vast dat de minister meerdere malen contact had gezocht met de Algerijnse autoriteiten en ook met eiser een vertrekgesprek had gevoerd. Er was geen reden om aan te nemen dat de minister onvoldoende voortvarend handelde.
Verder oordeelde de rechtbank dat het zicht op uitzetting naar Algerije volgens vaste rechtspraak in het algemeen niet ontbreekt en dat er geen aanwijzingen waren dat dit in het geval van eiser anders was. De rechtbank concludeerde dat de voortzetting van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep ongegrond. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.