ECLI:NL:RBDHA:2026:18527

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35099
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 17 maart 2026 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de rechtmatigheid van de bewaring reeds eerder getoetst in uitspraken van 23 april 2026 en 10 juni 2026.

Uit een voortgangsrapportage bleek dat de bewaring op 22 juni 2026 was opgeheven. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De rechtbank oordeelde dat de bewaring tot het sluiten van het onderzoek op 3 juni 2026 rechtmatig was.

Eiser stelde dat de belangenafweging ten gunste van hem eerder had moeten plaatsvinden, omdat hij niet meewerkte aan zijn uitzetting en een presentatie gepland stond op 30 juni 2026. De rechtbank vond echter dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, met aanvragen van laissez-passer, pogingen tot presentatie en meerdere vertrekgesprekken. Er waren geen feiten die een eerdere opheffing rechtvaardigden.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35099

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

1. De minister heeft op 17 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist bij uitspraak van 23 april 2026 [1] en op het eerste vervolgberoep heeft zij beslist bij uitspraak van 10 juni 2026 [2] .
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Daaruit blijkt dat de bewaring van eiser op 22 juni 2026 is opgeheven. Eiser heeft gereageerd op de voortgangsrapportage en de opheffing van de maatregel.
1.4.
De rechtbank heeft op 1 juli 2026 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [3]

Overwegingen

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 3 juni 2026.
4. Eiser voert aan dat, hoewel de bewaring op 22 juni 2026 is opgeheven omdat het belang van eiser zwaarder is gaan wegen dan het belang van de minister, deze belangenafweging in het voordeel van eiser eerder dan 22 juni 2026 had moeten plaatsvinden. Volgens eiser is er namelijk niets veranderd in zijn situatie met betrekking tot zijn uitzetting: hij heeft consequent verklaard niet mee te willen werken aan zijn uitzetting en presentatie in persoon. Er was op 30 juni 2026 nog een presentatie gepland voor eiser. Onduidelijk is waarom deze presentatie niet meer is afgewacht alvorens de bewaring op te heffen.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen eerder op te heffen. Eiser heeft dit ook niet concreet gemaakt; hij heeft enkel aangevoerd dat hij eerder niet meewerkte aan zijn uitzetting en tot aan opheffing van bewaring nog steeds niet wilde meewerken aan zijn uitzetting. Uit het dossier volgt dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt tot het moment waarop is geconcludeerd dat het belang van eiser zwaarder ging wegen dan het belang van de minister. Er is immers op 9 maart 2026 een laissez-passer aangevraagd bij de Gambiaanse autoriteiten, waarna er veelvuldig is gerappelleerd. Daarnaast is geprobeerd eiser op 14 april 2026 te presenteren bij de Gambiaanse autoriteiten. Eiser is daar niet verschenen. Ook hebben er zes vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden, waarvan de laatste op 22 juni 2026. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9810.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem 10 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16560.
3.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.