Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9810

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.21307
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring wegens risico op onttrekking aan toezicht en zicht op uitzetting

De minister van Asiel en Migratie heeft op 17 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.

Eiser betwist de zware en lichte gronden voor de maatregel niet, maar voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische situatie en dat een lichter middel passend zou zijn. De rechtbank oordeelt dat de minister adequaat heeft ingegaan op de medische omstandigheden, waaronder suïcidaliteit, en dat gespecialiseerde zorg in detentie beschikbaar is.

Verder stelt eiser dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Gambia bestaat, mede vanwege eerdere opheffing van een maatregel en onduidelijkheden over de aanvraag van een laissez-passer. De rechtbank stelt vast dat er wel degelijk zicht op uitzetting is, mede op basis van recente gegevens en verklaringen van de minister.

De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21307

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
2. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser de zware en lichte gronden niet heeft betwist. Ook de rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn, samen met de toelichting daarbij terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd en ook voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen, omdat daaruit een risico voortvloeit op onttrekking aan het toezicht.
Lichter middel
3. Eiser voert aan dat de minister bij de belangenafweging niet of onvoldoende rekening heeft gehouden met de medische problemen van eiser. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de minister in de maatregel voldoende ingegaan is op de medische omstandigheden van eiser die bekend zijn en waarover hij heeft verklaard. Zo heeft de minister in de maatregel meegenomen dat eiser suïcidaal is. Daarbij heeft de minister in de maatregel opgenomen dat voor mensen die zich met moeite kunnen handhaven (met psychische problemen) in detentie- en uitzetcentra gespecialiseerde zorg aanwezig is en dat deze zorg gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verder staat in de maatregel dat in het geval de zorg niet voldoende kan worden gegeven, eiser wordt overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Ook heeft de minister in de maatregel opgenomen dat indien er gevaar van suïcide dreigt er in detentie extra aandacht aan eiser zal worden gegeven. Daarbij wordt ook vermeld dat eiser kan worden geplaatst in een zogenaamde “time-out” kamer. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering naar Gambia is. Uit het dossier van eiser blijkt dat een eerder opgelegde maatregel is opgeheven omdat er geen zicht op uitzetting was. Verder is in de huidige maatregel onduidelijk op welk moment een laissez-passer (lp) is aangevraagd. In de maatregel staat dat op 12 februari 2026 een lp is aangevraagd, terwijl in het voortgangsrapport de datum van 9 maart 2026 staat weergegeven.
4.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is. De rechtbank stelt voorop dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Gambia binnen een redelijke termijn bestaat. [1] Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het zicht op uitzetting in zijn specifieke geval ontbreekt. De enkele stelling dat eiser eerder in bewaring zat in 2022 en dat destijds die maatregel werd opgeheven in verband met het ontbreken van zicht op uitzetting, leidt niet tot het oordeel dat er nu ook geen zicht op uitzetting is. Verder heeft de minister op de zitting verklaard dat het lp-traject is gestart op 9 maart 2026 en op 11 maart 2026 de aanvraag is verzonden aan de vertegenwoordiging van Gambia. De minister heeft hierbij op de zitting ook vermeld dat de datum van 12 februari 2026 in de maatregel een verschrijving is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen, nu uit het voortgangsrapport blijkt dat op 9 maart 2026 het lp-traject is gestart door de minister.
Ambtshalve toetsing
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr.B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), van 4 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3003.
2.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).