ECLI:NL:RBDHA:2026:18559
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening
De zaak betreft een bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister om de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht te beëindigen. De minister heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen procesbelang meer heeft, aangezien hij geen gebruik meer maakt van de LVV-opvang.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. Eiser heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend en maakt gebruik van opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Hierdoor is het doel van het bezwaar, namelijk het behoud van LVV-opvang, niet meer van feitelijke betekenis voor eiser.
De rechtbank wijst ook het verzoek om vrijstelling van griffierecht toe en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn nog niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 19 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen beëindiging van de LVV is ongegrond verklaard wegens ontbreken van procesbelang.