ECLI:NL:RBDHA:2026:18588

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL26.16105
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens gebrek aan volmacht in verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening

Op 17 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld via een gemachtigde. Tijdens de zitting op 24 juni 2026 gaf de gemachtigde aan geen contact te hebben met eiser en niet gemachtigd te zijn om het beroep in te trekken. Na aanvullende vragen van de rechtbank over de volmacht, bevestigde de gemachtigde op 2 juli 2026 dat hij zich niet als gemachtigd beschouwde om namens eiser op te treden.

De rechtbank stelde vast dat eiser op het moment van het instellen van het beroep geen contact had met de gemachtigde en hem niet had gemachtigd om namens hem het beroep in te stellen. De Raad voor Rechtsbijstand had de gemachtigde weliswaar op 23 januari 2026 aan de zaak gekoppeld, maar dit was onvoldoende om de volmacht te bevestigen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelde zij het beroep niet inhoudelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter R. Tesfai en griffier P.C.J. Lindeijer en is openbaar gemaakt op Rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige volmacht van de gemachtigde.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16105

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer] ,
(gestelde gemachtigde: mr. B. de Haan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. F.C. Vosman).

Procesverloop

1. Op 17 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de overdrachtstermijn op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening verlengd.
2. De gestelde gemachtigde heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3. De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Ter zitting waren de gestelde gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
4, De rechtbank heeft op 1 juli 2026 het onderzoek heropend en aanvullende vragen gesteld over de volmacht.
5. Op 2 juli 2026 heeft de gestelde gemachtigde hierop gereageerd.
6. Op 3 juli 2026 heeft de minister hierop gereageerd.
7. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op 3 juli 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Volmacht
8. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of de gestelde gemachtigde van eiser gemachtigd is namens eiser op te treden in de beroepsprocedure. Op de zitting heeft de gestelde gemachtigde van eiser aangegeven dat hij geen contact heeft kunnen krijgen met eiser, maar dat hij niet gemachtigd is om het beroep in te trekken. In zijn aanvullende reactie van 2 juli 2026 heeft de gestelde gemachtigde laten weten dat hij zich niet als gemachtigd beschouwt om te kunnen optreden in de beroepsprocedure in verband met het ontbreken van contact van eiser.
9. Uit het dossier blijkt dat de Raad voor Rechtsbijstand de gemachtigde op 23 januari 2026 heeft gekoppeld aan de zaak van eiser. De rechtbank stelt vast dat eiser op het moment van het instellen van beroep geen contact heeft gehad met de gemachtigde en dat eiser de gemachtigde dan ook niet heeft gemachtigd om namens hem beroep in stellen bij de rechtbank. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gestelde gemachtigde niet gerechtigd was om namens eiser beroep in te stellen bij de rechtbank. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.