ECLI:NL:RBDHA:2026:18635
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielprocedure na ongegrondverklaring beroep
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen als kennelijk ongegrond op 21 januari 2026.
Tegen deze afwijzing heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening, ingediend naast het beroep, op 25 juni 2026 behandeld in een zitting waar verzoekster, haar gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.
Op 7 juli 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.4934) en het beroep ongegrond verklaard. Gezien deze uitspraak is een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen na ongegrondverklaring van het beroep op de afwijzing van de asielaanvraag.