ECLI:NL:RBDHA:2026:18664

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
09/342300-25 (dagvaarding I) en 09/052574-26 (ttz.gev., dagvaarding II)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 38z SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor drie brandstichtingen en vernieling met tbs en gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 30 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan drie brandstichtingen en een vernieling. De feiten vonden plaats tussen augustus 2023 en oktober 2025 in Den Haag. De verdachte werd aangehouden in december 2025 en de zaak werd behandeld in meervoudige kamer.

De rechtbank achtte de bewezenverklaring wettig en overtuigend bewezen op basis van onder meer camerabeelden, vingerafdrukken, DNA-sporen, getuigenverklaringen en forensisch onderzoek. De verdachte handelde met opzet en veroorzaakte gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar. De verdediging voerde vrijspraak aan wegens gebrek aan bewijs, maar dit werd verworpen.

Psychiatrisch onderzoek toonde aan dat de verdachte leed aan schizofrenie en een ernstige amfetamineverslaving, waardoor zij verminderd toerekeningsvatbaar is. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 8 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een tbs-maatregel met voorwaarden vanwege het hoge recidiverisico en de noodzaak van intensieve behandeling. Tevens werd een gedragsbeïnvloedende maatregel opgelegd.

De vorderingen van de benadeelde partijen werden toegewezen, waarbij materiële en immateriële schade werd vastgesteld en de verdachte werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding met wettelijke rente. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd gehandhaafd. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en het belang van behandeling en toezicht om herhaling te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf met aftrek, tbs met voorwaarden en gedragsbeïnvloedende maatregel, en veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/342300-25 (dagvaarding I) en 09/052574-26 (ttz.gev., dagvaarding II)
Datum uitspraak: 30 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1983 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 23 maart 2026 en 16 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M. de L’Isle en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. T.W. van Gessel naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van dagvaarding I
zij op of omstreeks 25 oktober 2025, te Den Haag, althans in Nederland, bij een woning aan de [adres 2] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met benzine en/of een doek en/of vuilniszak terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten
- de woning en/of voortuin en/of hekwerk aan de [adres 2] en/of
- aangrenzende woningen/panden in de [straatnaam 1] en/of
- geparkeerde voertuigen in de [straatnaam 1] te duchten was;
Ten aanzien van dagvaarding II
1
zij op of omstreeks 28 oktober 2023 te Den Haag, althans in Nederland, bij een woning aan de [adres 2] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (open) vuur in aanraking te brengen met (motor)benzine, althans een brandbare vloeistof, en/of een fles en/of een krant terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten
- (de voordeur van) de woning en/of voortuin en/of hekwerk aan de [adres 2] en/of
- aangrenzende woningen/panden in de [straatnaam 1] te duchten was en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
- de in voornoemde woning(en) aanwezige personen te duchten was;
2
zij op of omstreeks 14 augustus 2023 te Den Haag, althans in Nederland, bij een voertuig (een bestelauto met kenteken [kenteken] ) geparkeerd ter hoogte van de [adres 3] , opzettelijk brand heeft gesticht, door (brandbare) vloeistof over het voertuig te sprenkelen en vervolgens (met een aansteker) open vuur in aanraking te brengen met papier en/of een fles (met daarin benzine) en/of die (brandende) fles tegen/naar het voertuig te gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten
- de motorkap en/of grill van voornoemd voertuig te duchten was;
3
zij op of omstreeks 30 augustus 2023 te Den Haag, althans in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gelegen aan de [adres 4] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op 25 oktober 2025 omstreeks 9:30 uur heeft de bewoner van de woning aan de [adres 2] , genaamd [aangeefster] , een beschadigde vuilniszak en een doekje voor haar voordeur aangetroffen. Voorts rook zij een benzinelucht. Na het bekijken van de beelden van haar deurbelcamera is het vermoeden ontstaan dat er in de nacht van 25 oktober 2025 rond 2:00 uur brand is gesticht bij haar woning.
In haar aangifte verklaarde [aangeefster] dat er op 28 oktober 2023 ook brand zou zijn gesticht bij de voordeur van haar woning. Tevensblijkt uit onderzoek dat er op 14 augustus 2023 op de [adres 3] brand zou zijn gesticht bij de auto (bestelbus) van de broer van [aangeefster] , genaamd [broer van aangeefster] , en dat er op 30 augustus 2023 een ruit zou zijn vernield van een woning gelegen aan de [adres 4] . [broer van aangeefster] is woonachtig op het adres [adres 3] .
Gedurende het onderzoek is gebleken dat de verdachte als verdachte kon worden aangemerkt van voornoemde brandstichtingen en vernieling. Deze verdenking is mede ontstaan omdat bij de politie diverse meldingen van de verdachte zijn binnengekomen die inhouden dat zij (verdachte) de afgelopen jaren stelselmatig zou zijn bedreigd en lastiggevallen door [aangeefster] , dan wel door haar familie. Ook zijn er bij de politie diverse meldingen over de verdachte bekend dat zij verward en zorgelijk gedrag zou vertonen. De verdachte werd vervolgens op 15 december 2025 aangehouden.
De verdachte wordt – kort samengevat – verweten dat zij drie maal brand heeft gesticht en een ruit van een woning heeft vernield.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Voor zover nodig zal de rechtbank hieronder ingaan op de verweren van de raadsman.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft
in de bijlageopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
3.5.1
Ten aanzien van dagvaarding I
Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de herkenning door een wijkagent van de verdachte als de persoon op de beelden van de deurbelcamera van [aangeefster] . De wijkagent heeft gedetailleerd geverbaliseerd op welke wijze en waaraan hij de verdachte heeft herkend. De wijkagent heeft tijdens de doorzoeking in de woning van de verdachte ook een grijs vest en witte sneakers waargenomen die grote gelijkenissen vertonen met het vest en de sneakers die de verdachte van de brandstichting op de beelden aanhad. Voorts is op de beelden van de deurbelcamera van [aangeefster] een fatbike te zien. De verdachte maakte ten tijde van de brandstichting gebruik van een fatbike. Ten slotte werd in de woning van de verdachte een zwarte rugtas aangetroffen die grote gelijkenissen vertoont met de rugzak die de verdachte van de brandstichting op de beelden droeg.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de doorzoeking in de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest, nu een machtiging van de rechter­commissaris in het dossier ontbreekt, aangezien de officier van justitie tijdens de zitting van 23 maart 2026 deze machtiging ter zitting aan de rechtbank heeft overgelegd.
Op grond van het vorenstaande – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 25 oktober 2025 opzettelijk brand heeft gesticht bij de woning van [aangeefster] aan de [adres 2] door een doek met benzine en een vuilniszak in brand te steken.
De rechtbank ziet in het dossier geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de brand door iemand anders dan de verdachte zou zijn gesticht, zoals door de raadsman gesteld.
Door het handelen van de verdachte is er ook daadwerkelijk brand met gemeen gevaar voor goederen ontstaan. De algemene ervaring leert dat brandstichting bij de voordeur van een woning al snel gemeen gevaar voor goederen veroorzaakt en dat een concrete gevaarzetting ontstaat voor andere roerende of onroerende goederen in de directe omgeving van de brandstichting.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voltooide brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en acht zij daarom het bij dagvaarding I ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
3.5.2
Ten aanzien van dagvaarding II feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 28 oktober 2023 opzettelijk brand heeft gesticht bij de woning van [aangeefster] aan de [adres 2] door een krant met benzine in een fles in brand te steken.
De rechtbank verwijst daarbij naar het feit dat de vingerafdruk van de verdachte op de gebruikte fles en het DNA van de verdachte op de dop van de gebruikte fles is aangetroffen.
Ook hier ziet de rechtbank in het dossier geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de brand door iemand anders dan de verdachte zou zijn gesticht, zoals door de raadsman gesteld.
Door het handelen van de verdachte is er ook daadwerkelijk brand met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar ontstaan. Een brandonderzoeker heeft tijdens een forensisch onderzoek een roetlaag op de waterkering en aan de onderzijde van de voordeur waargenomen. Volgens de brandonderzoeker had de schade aan de voordeur groter kunnen worden en had de houten voordeur als onderdeel aan de brand kunnen deelnemen, indien de brand niet op tijd was geblust. Gezien de aanwezigheid van personen in de woning op een voor de nachtrust bestemde tijd, is het voorzienbaar dat zij lichamelijk letsel kunnen oplopen.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een voltooide brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en acht zij daarom het bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
3.5.3
Ten aanzien van dagvaarding II de feiten 2 en 3
Op grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte degene is geweest die op 14 augustus 2023 opzettelijk brand heeft gesticht bij bestelbus van [broer van aangeefster] door brandbare vloeistof over dit voertuig te sprenkelen en vervolgens een fles met daarin benzine aan te steken en deze fles naar de bestelbus te gooien. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 29 augustus 2023 de ruit van de woning aan de [adres 4] heeft vernield.
Een getuige van de vernieling heeft de persoon op de camerabeelden een aantal dagen na de vernieling op straat herkend en is haar vervolgens gevolgd naar haar woning. Dit betrof de woning van de verdachte. Voorts heeft een verbalisant aan de hand van de beschikbare camerabeelden geconcludeerd dat de brandstichting en de vernieling gepleegd zijn door dezelfde persoon. Tevens werden in de woning van de verdachte een roze legging en een wit Adidas vest aangetroffen die grote gelijkenissen vertonen met de kleding die de verdachte van de brandstichting op de beelden aanhad.
Ook hier verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman dat de doorzoeking in de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest en verwijst daarbij naar hetgeen reeds hiervoor is overwogen.
De rechtbank verwerpt voorts het verweer van de raadsman dat het bij de brandstichting slechts gaat om een poging tot brandstichting. Uit de beelden volgt immers dat de verdachte – nadat zij een vloeistof over de motorkap van de bestelbus sprenkelde – iets wits bij de fles met vermoedelijk benzine heeft aangestoken en de brandende fles richting de voorzijde van de bestelbus heeft gegooid. Hieruit kan reeds afgeleid worden dat er sprake is van een voltooide brandstichting. Nadat de fles door de verdachte werd gegooid en tegen de voorzijde van de bestelbus aankwam, ontstond er (kort) vuur op de motorkap en bij de grill van de witte bestelbus. Hiermee is er ook sprake van gemeen gevaar voor goederen. Dat de brand kortstondig heeft geduurd, doet aan het voorgaande niets af.
Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de bij dagvaarding II onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
3.5.4
Conclusie
De rechtbank acht op grond van het bovenstaande de bij dagvaarding I en de bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
Voor de overtuiging heeft de rechtbank mede in overweging genomen dat de verdachte al jarenlang in de stellige, maar naar het oordeel van de rechtbank onjuiste, veronderstelling verkeerde dat zij stelselmatig wordt bedreigd en lastiggevallen door de familie Pooran. Hieruit kan een mogelijk motief voor de verdachte worden afgeleid om de bewezenverklaarde feiten te plegen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I
zij op 25 oktober 2025 te Den Haag bij een woning aan de [adres 2] opzettelijk brand heeft gesticht, door open vuur in aanraking te brengen met benzine en een doek en vuilniszak terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
- de woning en voortuin en hekwerk aan de [adres 2] en
- aangrenzende woningen/panden in de [straatnaam 1] en
te duchten was;
Ten aanzien van dagvaarding II
1
zij op 28 oktober 2023 te Den Haag bij een woning aan de [adres 2] opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met motorbenzine en een fles en een krant terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
- de voordeur van de woning en voortuin en hekwerk aan de [adres 2] en
- aangrenzende woningen/panden in de [straatnaam 1] te duchten was en
levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
- de in voornoemde woningen aanwezige personen te duchten was;
2
zij op 14 augustus 2023 te Den Haag bij een voertuig, een bestelauto met kenteken [kenteken] , geparkeerd ter hoogte van de [adres 3] , opzettelijk brand heeft gesticht, door brandbare vloeistof over het voertuig te sprenkelen en vervolgens met een aansteker open vuur in aanraking te brengen met papier en een fles met daarin benzine en die brandende fles tegen/naar het voertuig te gooien terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten
- de motorkap en grill van voornoemd voertuig te duchten was;
3
zij op 30 augustus 2023 te Den Haag opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van de woning gelegen aan de [adres 4] dat aan een ander, te weten aan [benadeelde] , toebehoorde heeft vernield.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (tbs met voorwaarden), onder de voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, en de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Verder heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden gevorderd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte, gelet op de verzochte vrijspraak, geen tbs-maatregel op te leggen. Tevens heeft de raadsman opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht, gelet op de persoon van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden, een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van haar voorarrest en een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Hij acht een tbs-maatregel niet noodzakelijk om het recidiverisico te beperken.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf en maatregelen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie brandstichtingen en een vernieling. Door het handelen van de verdachte is aanzienlijke schade ontstaan. Daarnaast heeft de verdachte met haar handelen onaanvaardbare risico’s genomen. Zij heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheid dat brandstichting een bijzonder destructief en gevaarzettend feit is. Het is een gelukkige omstandigheid dat de branden niet ernstigere schade hebben veroorzaakt en dat er geen mensen gewond zijn geraakt. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat zij, zonder rekening te houden met de belangen van anderen, tot haar daden is gekomen. Feiten als de onderhavige roepen doorgaans gevoelens van angst en onveiligheid op en hebben maatschappelijke onrust tot gevolg. Daarnaast brengen dergelijke feiten in het algemeen aanzienlijke schade teweeg en kunnen ze leiden tot veel overlast voor de slachtoffers.
Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een andere straf dan een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor misdrijven.
De rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen en conclusies van drs. A. Banaei Kashani, psychiater, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 13 mei 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een psychotische stoornis die chronisch aanwezig is, te weten schizofrenie, en een ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine.
Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was de verdachte psychotisch. Aangezien zij in die periode vrijwel dagelijks amfetamine gebruikte, is het aannemelijk dat zij ten tijde en in aanloop tot het ten laste gelegde onder invloed was van dit middel. Het is aannemelijk dat hierdoor haar gedragskeuzes en gedragingen werden beïnvloed.
De rapporteur adviseert de feiten in (tenminste) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De kans op herhaling op inadequaat en agressief gedrag wordt door de rapporteur als hoog ingeschat. Er is geen sprake van beschermende factoren. De verdachte heeft jarenlang steeds marginaal zorg geaccepteerd en is steeds verder achteruit gegaan in haar functioneren. Zij blijft een aversie houden jegens de betreffende familie. De verdachte is bovendien ernstig verslaafd aan amfetamine. Zonder adequate behandeling en begeleiding zal haar toestand verder verslechteren, zal zij zich verder verwaarlozen en gevaarlijk gedrag blijven vertonen.
Vanwege de ernstige psychische problematiek en het hoge recidiverisico is langdurige en intensieve (klinische gevolgd door ambulante) behandeling nodig. De verdachte heeft weinig ziekte-inzicht en eerdere hulp heeft niet tot gedragsverandering geleid. Behandeling van de psychotische stoornis en abstinentie van middelen zijn noodzakelijk. Geadviseerd wordt de verdachte tbs met voorwaarden op te leggen. Daarnaast wordt geadviseerd haar een GVM op te leggen om langdurig toezicht mogelijk te maken na beëindiging van de tbs met voorwaarden.
De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de bevindingen en conclusies van drs. G.J.H. Poncin, GZ-psycholoog, zoals neergelegd in het Pro Justitia rapport van 11 mei 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van schizofrenie. Daarnaast is er sprake van een stoornis in het gebruik van een stimulantium, een stoornis in het gebruik van cannabis en een stoornis in het gebruik van alcohol. Gezien de chronisch aanwezige pathologie is het aannemelijk dat deze ook aanwezig was ten tijde van de ten laste gelegde feiten en kan er worden gesproken van een gelijktijdsheidsverband. Het is aannemelijk dat de verdachte vanuit haar eigen paranoïde, psychotische en onrealistische belevingswereld heeft gehandeld. Hier speelde het amfetaminegebruik als een katalysator op de reeds aanwezige psychotische problematiek. Het advies van de rapporteur is dan ook om de ten laste gelegde feiten in een tenminste verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Er is geen probleeminzicht en eerdere behandeling heeft nauwelijks effect gehad. Het kleine sociale netwerk van de verdachte is niet bij machte om haar de sturing en ondersteuning te bieden die zij behoeft om stabiel te kunnen functioneren. De verdachte beschikt buiten detentie niet over werk of een adequate dagbesteding/structuur.
De rapporteur acht een langdurige, intensieve behandeling geïndiceerd die start met een klinische opname, van waaruit wordt gewerkt aan het vergroten van het probleeminzicht, het leren omgaan met de pathologie en het opbouwen van beschermende factoren.
Bovengenoemd interventieadvies kan het beste worden vormgegeven binnen een tbs met voorwaarden. Ook wordt geadviseerd om een GVM op te leggen.
De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsrapport tbs met voorwaarden van 9 juni 2026. De bevindingen en conclusies van deze rapporteur houden – voor zover hier van belang – het volgende in.
De rapporteur schat het recidiverisico als hoog in. De verdachte is meerdere malen in beeld gekomen bij de GGZ en er is sprake geweest van zorgmachtigingen wegens onbegrepen gedrag. De verdachte gebruikt langdurig amfetamine. Er is geen sprake van ziekte-inzicht of probleembesef. De verdachte is van mening dat er niets met haar aan de hand is. Behandeling vindt zij niet nodig. Wel geeft zij aan zich aan de voorwaarden te zullen houden, mocht zij daartoe veroordeeld worden.
Vanwege de psychiatrische problematiek, in combinatie met overmatig middelengebruik (hetgeen een psychose kan luxeren), het ontbreken van beschermende factoren (buiten contact vader) en agressief gedrag in de voorgeschiedenis (hetgeen niet geleid heeft tot justitiecontact), schat de reclassering het risico op delictgedrag in als hoog. Vanwege het ontbreken van probleembesef en ziekte-inzicht en daarmee tevens intrinsieke motivatie voor behandeling, schat de reclassering het risico op onttrekken aan voorwaarden in als gemiddeld.
Uit de Pro Justitia rapportages komt naar voren dat langdurige behandeling en ondersteuning noodzakelijk wordt geacht. De verdachte heeft inmiddels ingestemd met een klinische opname en het gebruik van medicatie. De reclassering acht een tbs met voorwaarden haalbaar, mede gelet op de extrinsieke motivatie.
De reclassering adviseert dan ook een tbs met voorwaarden met de onderstaande voorwaarden:
• Geen strafbaar feit plegen
• Meewerken aan reclasseringstoezicht
• Meewerken aan een time-out
• Niet naar het buitenland reizen
• Opname in een zorginstelling
• Ambulante behandelverplichting
• Meewerken aan begeleid wonen
• Verbod op het gebruik van verdovende middelen
• Meewerken aan bewindvoering
• Contactverbod met de aangevers
• Locatieverbod (met elektronisch toezicht indien van toepassing)
De op te leggen straf en maatregel
De rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van de Pro Justitia rapporteurs over en legt deze ten grondslag aan haar beslissing dat de bewezen verklaarde feiten de verdachte verminderd kunnen worden toegerekend. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. Daarbij heeft de rechtbank tevens in overweging genomen dat het van belang is dat de verdachte eerder aan haar behandeling in het kader van de hierna nog te bespreken tbs-maatregel kan beginnen.
Een en ander brengt de rechtbank tot de conclusie dat oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van
acht maandenpassend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.
De rechtbank neemt verder de conclusies uit de Pro Justitia rapporten en het reclasseringsrapport over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat, teneinde dat risico te verminderen, een intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling, zoals door de gedragsdeskundigen beschreven, noodzakelijk is.
De rapporteurs adviseren een tbs met voorwaarden en concluderen dat er onvoldoende andere mogelijkheden zijn om de risico’s te beperken of het gedrag van de verdachte te veranderen. De rechtbank acht gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking genomen de eigen constatering van de rechtbank ter terechtzitting van 16 juni 2026 dat bij de verdachte elk ziektebesef en -inzicht ontbreekt, een tbs met voorwaarden passend en ook noodzakelijk.
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan het wettelijke vereiste voor het opleggen van tbs-maatregel dat de begane feiten (met uitzondering van de bewezenverklaarde vernieling) misdrijvenzijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. De rechtbank is verder van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke vereiste dat de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist en dat zulks tevens geldt voor verpleging van overheidswege. Daartoe is redengevend dat de begane feiten zeer ernstig zijn, dat het recidiverisico hoog is en dat de complexe problematiek van de verdachte die daaraan ten grondslag ligt intensieve en op de verdachte toegesneden behandeling vereist.
De rechtbank zal dan ook de tbs-maatregel met voorwaarden opleggen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij wel twijfels heeft over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden en over of de verdachte zich aan de gestelde voorwaarden zal houden. De verdachte heeft immers geen ziekte-inzicht en probleembesef. Zij heeft ter zitting ook verklaard dat zij een tbs-maatregel niet nodig vindt, omdat zij naar haar eigen mening niets mankeert. Zij zal echter wel meewerken als de maatregel door de rechtbank aan haar wordt opgelegd. De rechtbank zal de tbs met voorwaarden aan de verdachte opleggen omdat de rechtbank het onverantwoord vindt om de verdachte zonder enige behandeling, begeleiding of toezicht terug te laten keren in de maatschappij.
De rechtbank stelt vast dat
ten aanzien van dagvaarding II feit 1sprake is van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling langer kan duren dan vier jaren.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zal de rechtbank, gelet op artikel 38 lid 6 Sr Pro bepalen dat de op te leggen tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
De rechtbank zal ook de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking opleggen, zodat de officier van justitie na beëindiging van de tbs-maatregel, indien nodig, de mogelijkheid heeft toereikende maatregelen te nemen, teneinde recidive te kunnen voorkomen.
Aan de wettelijke vereisten van artikel 38z lid 1 Sr is voldaan. De rechtbank gelast immers de terbeschikkingstelling van de verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen. Zij verwijst daarbij naar de inhoud van de Pro Justitia rapporteurs en het rapport van de reclassering.
De voorlopige hechtenis
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen redenen om het bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Het verzoek daartoe wordt dan ook afgewezen.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.467,10, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 467,10 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.
[broer van aangeefster]heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 629,51, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair afwijzing van de vorderingen verzocht, dan wel de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, gelet op de verzochte vrijspraak.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] heeft de raadsman subsidiair verzocht de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, nu een wettelijke grondslag ontbreekt, dan wel de wettelijke grondslag onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair heeft de benadeelde partij matiging van het gevorderde bedrag verzocht. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [broer van aangeefster] heeft de raadsman subsidiair afwijzing verzocht, nu de gevorderde materiële schade onvoldoende is onderbouwd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster]
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is door de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 467,10.
Omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt, zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen:
- ten aanzien van een bedrag van € 253,62 met ingang van 28 oktober 2023;
- ten aanzien van een bedrag van € 190,51 met ingang van 24 november 2025;
- ten aanzien van een bedrag van € 22,97 met ingang van 11 maart 2026.
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1 bewezenverklaarde feiten. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.000,-. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de schade aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal en ziet daarom geen aanleiding om de gevorderde schade te matigen.
De rechtbank zal ten aanzien van de immateriële schade de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 25 oktober 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.467,10, bestaande uit € 467,10 aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de onder bij dagvaarding I en dagvaarding II onder feit 1 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.467,10, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van:
- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;
- € 190,51 vanaf 24 november 2025;
- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;
- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024,
tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [broer van aangeefster]
De vordering is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 629,51.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 augustus 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en zij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 629,51, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [broer van aangeefster] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 38, 38a, 38z, 57, 63, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
ten aanzien van dagvaarding II feit 1
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is
en
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van dagvaarding II feit 2
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
ten aanzien van dagvaarding II feit 3
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
8 (ACHT) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:
dat de veroordeelde:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- geen strafbare feiten zal plegen;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
 de medewerking aan huisbezoeken;
 zich melden bij en zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering, zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk;
 de reclassering helpen aan een actuele foto waarop het gezicht van de veroordeelde herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
 de reclassering inzicht geven in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
 zich niet vestigen op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;
 meewerken aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die
 contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
- als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Kliniek (FPK) of een andere soortgelijke instelling met een hoger beveiligingsniveau. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
- niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden zal reizen zonder toestemming van de reclassering;
- zich laat opnemen in en behandelen door FPK Fivoor, of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor de plaatsing verantwoordelijke instantie, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens deze zorginstelling worden gegeven. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Indien overbruggingszorg noodzakelijk is, verleent zij hieraan haar medewerking;
- aansluitend aan haar klinische behandeling, indien noodzakelijk, zich onder behandeling stelt van een forensisch polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen, zolang de reclassering of die zorginstelling noodzakelijk acht. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
- aansluitend aan haar klinische behandeling, indien noodzakelijk, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering en/of de instelling dat nodig vindt, en zich houdt aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;
- meewerkt aan bewindvoering
- zich onthoudt van het gebruik van verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik, en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan adem-, speeksel- of urineonderzoek De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.;
- op geen enkele wijze contact legt of laat leggen – direct of indirect – met:
 [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1966
 [broer van aangeefster] , geboren op [geboortedatum 3] 1971;
 [benadeelde] , geboren op [geboortedatum 4] 1954;
- zich niet bevindt in de gebieden:
 Gebied 1: [straatnaam 2] / [straatnaam 3] / [straatnaam 4] en het gebied tussen deze straten te Den Haag;
 Gebied 2: [straatnaam 5] / [straatnaam 6] / [straatnaam 7] / [straatnaam 8] / de [straatnaam 1] en het gebied tussen deze straten te Den Haag,
zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde, indien de reclassering dit noodzakelijk acht, zich onder elektronisch toezicht stelt ter nakoming van deze voorwaarde;
beveelt dat bovengenoemde maatregel van tbs met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris;
legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.467,10 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag te betalen aan
[aangeefster], vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente tot de dag waarop deze vordering is betaald over een bedrag van:
- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;
- € 190,51 vanaf 24 november 2025;
- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;
- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.467,10, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van:
- € 253,62 vanaf 28 oktober 2023;
- € 190,51 vanaf 24 november 2025;
- € 22,97 vanaf 11 maart 2026;
- € 2.000,- vanaf 25 oktober 2024,
tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[aangeefster];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 24 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 629,51 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan
[broer van aangeefster];
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 629,51, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 augustus 2023 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van
[broer van aangeefster];
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 6 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. J. Schaaf, rechter,
in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2026.