ECLI:NL:RBDHA:2026:18703

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.11386
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 29 Vw 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens motiveringsgebrek over onmenselijke situatie bij terugkeer naar Jemen

Eiseres, een Jemenitische vrouw, vroeg asiel aan in Nederland vanwege de oorlog in Jemen en vrees voor gedwongen bekering en gendergerelateerd geweld door de Houthi’s. De minister wees haar aanvraag af omdat zij geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade aannemelijk had gemaakt.

De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende individuele omstandigheden had aangevoerd die haar risico op vervolging of willekeurig geweld verhoogden. De minister had terecht geoordeeld dat er geen bewijs was voor gedwongen bekering of beperking van geloofsuiting door de Houthi’s. Ook was er onvoldoende onderbouwing voor een reëel risico vanwege haar gender.

Echter, de rechtbank stelde vast dat de minister niet had beoordeeld of eiseres bij terugkeer in een onmenselijke situatie terecht zou komen, zoals vereist op grond van artikel 3 EVRM Pro en jurisprudentie van het EHRM. Dit motiveringsgebrek leidde tot vernietiging van het besluit. De minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiseres krijgt tevens een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek over de beoordeling van een onmenselijke situatie bij terugkeer.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11386

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G. Erdal).

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 4 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 24 februari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, G. Ahmed als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over
Het asielrelaas
2. Eiseres heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1969. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij niet naar Jemen kan terugkeren vanwege de oorlog daar. Ook vreest eiseres dat de Houthi’s haar zullen dwingen om te bekeren tot het sjiisme en dat zij als vrouw problemen zal krijgen. Eiseres is tijdens twee woordenwisselingen met Houthi’s bedreigd met mishandeling. Vanaf 2014 heeft eiseres in Saoedi-Arabië gewoond met haar echtgenoot. Ze is daar uitgescholden door haar werkgever. Haar werkgever heeft een visum voor eiseres geregeld om in Frankrijk te werken. Omdat eiseres door haar werkgever slecht werd behandeld, is zij naar haar zoon in Nederland gegaan.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
- identiteit, nationaliteit en herkomst.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. De minister concludeert echter dat de asielaanvraag van eiseres wordt afgewezen, omdat zij geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij een terugkeer naar Jemen. Verder stelt de minister een terugkeerbesluit vast met een vertrektermijn van vier weken.
Wat voert eiseres aan in beroep?
4. Eiseres voert aan dat de minister meerdere risico-verhogende factoren miskent: zij heeft tien jaar lang in Saoedi-Arabië gewoond, heeft daar gewerkt voor de koninklijke familie en haar zoon heeft in Nederland een asielvergunning gekregen. Verder voert eiseres aan dat zij door de Houthi’s zal worden gedwongen om zich te bekeren dan wel dat zij in Jemen beperkt zal worden in het uitoefenen van haar geloof. Ook beperken de Houthi’s de rechten van vrouwen en worden vrouwen steeds meer uitgesloten van deelname aan de openbare samenleving.
4.1.
Verder voert eiseres aan dat in [regio] sprake is van willekeurig geweld tegen burgers, vrouwen en soennieten. Tot slot voert eiseres aan dat de onmenselijke situatie in [regio] maakt dat een terugkeer in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Risico-verhogende factoren
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom haar langdurige verblijf in Saoedi-Arabië, werkzaamheden voor de Saoedische koninklijke familie en in Nederland verblijvende zoon betekenen dat zij een grotere vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt bij een terugkeer naar Jemen. Volgens de minister blijkt uit openbare informatie niet dat Jemenitische burgers die hebben gewerkt en gewoond in Saoedi-Arabië een groter risico op geweld lopen. Het enkel herhalen van haar stellingen is onvoldoende om het gestelde risico aannemelijk te maken. Eiseres heeft haar stellingen niet met bijvoorbeeld landeninformatie onderbouwd.
Beperking van vrijheid van godsdienst
6. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij problemen zal ervaren met de Houthi’s vanwege een gedwongen bekering. Uit de passage in het Algemeen Ambtsbericht van april 2025 [1] waar eiseres in haar beroepsgronden op wijst, blijkt niet dat de Houthi’s mensen dwingen om zich te bekeren. Eiseres heeft verder niet op informatie gewezen waaruit wel blijkt dat daar sprake van is in Jemen en de gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij deze stelling niet kan onderbouwen. Overigens volgt de rechtbank de minister niet in zijn standpunt in de besluitvorming en ter zitting dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt dat zij in haar geloofsovertuiging zal worden beperkt als zij zich gedwongen zal moeten bekeren. De minister kan niet van eiseres verlangen dat zij zich bekeert.
6.1.
De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Houthi’s haar dermate in haar geloofsuiting zal beperken, dat er sprake is van een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De gemachtigde van eiseres heeft tijdens de zitting toegelicht dat eiseres zich aan de leefregels van sjiieten zal moeten houden en dat iemand kan worden verkracht of gemarteld als hij/zij zich niet aan die leefregels houdt. Dit blijkt niet uit de passage in het Algemeen Ambtsbericht waar eiseres in haar beroepsgronden op wijst en eiseres heeft verder niet op informatie gewezen waaruit dit wel blijkt. De stelling van de gemachtigde van eiseres dat deze informatie op het internet te vinden is, is onvoldoende concreet.
Beperking van vrouwenrechten
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege haar gender. Hoewel de passages uit het Algemeen Ambtsbericht [2] waar eiseres in haar beroepsgronden op wijst een zorgelijk beeld van de positie van vrouwen in Jemen laten zien, legt eiseres niet uit waarom zij te vrezen heeft voor gender-gerelateerd geweld. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de problemen waar eiseres over heeft verklaard onvoldoende ernstig zijn om te spreken van een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade en de rechtbank kan de minister hierin volgen. Eiseres heeft over twee incidenten verklaard waarbij ze is aangesproken omdat ze geen mannelijke begeleider had. Uit de verklaringen van eiseres blijkt niet dat zij hierdoor problemen heeft ondervonden.
Reëel risico op ernstige schade vanwege een situatie van willekeurig geweld in [regio]
8. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw 2000 biedt bescherming in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger in het betrokken land alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. Zo’n situatie wordt in dit kader aangeduid als ‘de meest uitzonderlijke situatie’. Het genoemde artikel biedt ook bescherming in een ‘minder uitzonderlijke situatie’, als het geweldsniveau minder hoog is. In een dergelijk geval moet er rekening worden gehouden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de asielzoeker. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming. [3]
9. Volgens de minister is in [regio] sprake van een relatief hoge mate van willekeurig geweld. Tijdens de zitting heeft eiseres gesteld dat de cijfers waarop de minister zijn conclusie baseert niet kloppen, maar eiseres heeft ook aangegeven deze stelling niet te kunnen onderbouwen. De rechtbank gaat – gelet op wat ter zitting is besproken – ervan uit dat tussen partijen niet in geschil is dat in [regio] sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld. Dit betekent dat eiseres individuele en persoonlijke omstandigheden moet aandragen om aannemelijk te maken dat zij bij een terugkeer naar [regio] een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat zij een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiseres heeft niet nader toegelicht waarom zij een verhoogd risico loopt omdat zij voor de Saoedische koninklijke familie heeft gewerkt, een lange tijd in Saoedi-Arabië heeft gewoond en/of dat haar zoon in Nederland verblijft. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat het door eiseres gestelde geweld in [regio] tegen vrouwen en soennieten als gericht geweld moet worden aangemerkt in plaats van willekeurig geweld.
Ernstige schade bij terugkeer
10. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 14 april 2026 geoordeeld dat de minister moet beoordelen of een vreemdeling bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [4] Zoals in de uitspraak van 14 april 2026 is uitgelegd, kan de minister hiervoor niet verwijzen naar zijn beoordeling van de mate van willekeurig geweld zoals genoemd in overweging 8.
10.1.
Daarbij is van belang dat het EHRM [5] in het arrest Sufi en Elmi [6] twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situaties worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiseres daarmee hoger.
10.2.
De minister heeft in de besluitvorming niet kenbaar beoordeeld of eiseres bij terugkeer naar Jemen terecht zal komen in een schrijdende humanitaire situatie. De rechtbank heeft de minister vóór de zitting in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen over de in overweging 10. genoemde uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank. De minister heeft in zijn verweerschrift en tijdens de zitting op dit punt geen standpunt ingenomen. Hij heeft de rechtbank tijdens de zitting verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld alsnog schriftelijk een standpunt in te mogen nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de minister een derde kans te geven. Omdat de minister niet heeft beoordeeld of eiseres bij terugkeer in een ‘onmenselijke situatie’ terechtkomt, is sprake van een motiveringsgebrek. Daarom is het beroep gegrond.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat er sprake is van een motiveringsgebrek. De minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-. [7]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 februari 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Pagina 79.
2.Pagina’s 29 en 93.
3.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (
4.Uitspraak van deze rechtbank van 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9143.
5.Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
6.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
7.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.