Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9143

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
AWB 26/3049
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15c KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRMArt. 3.108d VreemdelingenbesluitArt. 3.113 VreemdelingenbesluitArt. 4, eerste lid, Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering humanitaire omstandigheden Jemen

Eiser, een Jemenitische asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister werd afgewezen op grond van onvoldoende aannemelijkheid van zijn gegronde vrees voor vervolging en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Jemen.

De rechtbank beoordeelde de geloofwaardigheid van de door eiser aangevoerde asielmotieven, waaronder gedwongen rekrutering door de Houthi’s, problemen door de moord van zijn broer, en deelname aan een demonstratie in Nederland. De minister vond deze motieven onvoldoende onderbouwd en de rechtbank oordeelde dat dit standpunt niet onredelijk was.

Daarnaast stelde de rechtbank vast dat het gewijzigde landenbeleid van de minister voor Jemen niet voldeed aan de opdracht van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State en het arrest CF en DN van het Hof van Justitie van de EU, omdat de humanitaire omstandigheden niet deugdelijk waren betrokken in de beoordeling van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn.

De rechtbank concludeerde dat het besluit ondeugdelijk gemotiveerd was en vernietigde het, waarbij de minister werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werden de proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en de minister moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/3049
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigden: mr. L.A. Jager en mr. W.J. Poot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep [1] van eiser tegen het bestreden besluit van 10 april 2025. Met dit besluit heeft de minister de aanvraag van eiser van 4 juli 2023 om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.
1.1. De minister heeft op 3 september 2025 de rechtbank verzocht om de behandeling van deze zaak aan te houden. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen.
1.2. De minister heeft op 20 november 2025 een verweerschrift ingediend.
1.3. De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting verzocht een standpunt in te nemen over een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. [2] Partijen hebben op 5 februari 2026 een reactie ingediend.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Mahase als tolk en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1998. Eiser heeft tot augustus 2021 in Jemen gewoond en heeft tot juni 2023 legaal in Saoedi-Arabië verbleven. Eiser is uit Jemen vertrokken vanwege de oorlog en omdat hij vreesde voor gedwongen rekroutering door de Houthi’s. In februari 2024 – na het vertrek van eiser uit Saoedi-Arabië – heeft eisers broer iemand van de Houthi’s vermoord toen zij belasting kwamen innen. De broer van eiser is op de vlucht geslagen en eisers vader is gearresteerd om hem als dwangmiddel tegen zijn broer te gebruiken. Eiser is ook uit Jemen vertrokken vanwege de economische omstandigheden en het gebrek aan voorzieningen. Verder is nog van belang dat eiser in Nederland aan een demonstratie tegen de Houthi’s heeft deelgenomen. Eiser is te zien op een filmpje dat op Facebook is geplaatst en is uitgezonden in Jemen. Eiser vreest bij een terugkeer naar Jemen voor detentie of dat de Houthi’s hem zullen doden. Tot slot is eiser afkomstig uit de [regio] .
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen door pogingen van de Houthi’s tot gedwongen rekrutering ;
- problemen door de moord die zijn broer heeft gepleegd;
- deelname aan een demonstratie in Nederland.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst en deelname aan een demonstratie in Nederland geloofwaardig. De minister acht het ongeloofwaardig dat eiser problemen heeft vanwege pogingen tot gedwongen rekrutering door de Houthi’s en de moord die zijn broer zou hebben gepleegd. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat hij volgens de minister geen gegronde vrees heeft voor vervolging en hij daarnaast bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico op ernstige schade loopt. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Ook is volgens de minister niet aannemelijk dat eiser in de negatieve aandacht van de Jemenitische autoriteiten staat of zal komen te staan vanwege zijn deelname aan een demonstratie in Nederland. Verder heeft de minister tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin is bepaald dat hij Nederland binnen vier weken moet verlaten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In deze uitspraak zal de rechtbank zich eerst uitlaten over de vraag of de minister een aantal door eiser gestelde problemen ongeloofwaardig mag vinden. Daarna beoordeelt de rechtbank of de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser bij een terugkeer naar Jemen geen gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege de problemen die de minister wel geloofwaardig vindt en de andere omstandigheden die eiser aanvoert. Vervolgens beoordeelt de rechtbank het nieuwste asielbeleid dat de minister voor Jemen hanteert [3] , omdat eiser vindt dat de motivering van de minister daarvoor niet klopt. Tot slot is aan de orde of de minister de humanitaire situatie in Jemen voldoende heeft betrokken bij de beoordeling of aan eiser bescherming moet worden verleend op grond van artikel 3 van Pro het EVRM [4] .

De geloofwaardigheidsbeoordeling

5. De minister maakt in zijn geloofwaardigheidsbeoordeling van een asielmotief onderscheid tussen twee stappen. In stap 1 gaat het om het verzamelen van informatie. De vreemdeling zal alle relevante elementen ter staving van zijn asielaanvraag moeten indienen. Bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden is er een samenwerkingsverplichting tussen de vreemdeling en de minister. De minister zal in stap 1 uiteindelijk de asielmotieven vaststellen en die daarna op geloofwaardigheid toetsen (stap 2).
Stap 2 gaat over de daadwerkelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van de asielmotieven. In stap 2 wordt onderscheid gemaakt tussen stap 2a en stap 2b. In stap 2a wordt beoordeeld of een vreemdeling voldoende bewijsmateriaal heeft overgelegd om het betreffende asielmotief aannemelijk te maken. Als aan stap 2a niet wordt voldaan, gaat de minister over naar stap 2b. In die stap toetst de minister aan de vijf cumulatieve voorwaarden om de geloofwaardigheid te beoordelen. In Werkinstructie 2024/6 is bepaald dat het asielmotief niet geloofwaardig is als het asielmotief niet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden voldoet.
De gedwongen rekrutering
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden dat hij problemen heeft vanwege pogingen tot gedwongen rekrutering door de Houthi’s. Primair stelt eiser dat hij dit asielmotief met zijn verklaringen, overgelegde documenten en algemene landeninformatie volledig heeft onderbouwd en dat de minister ten onrechte onvoldoende waarde hecht aan de stukken die hij heeft overgelegd. Subsidiair voert eiser aan dat zijn verklaringen wel een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Meer subsidiair stelt eiser dat hem het voordeel van de twijfel moet worden gegund.
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser het asielmotief niet volledig met objectieve bewijsstukken heeft onderbouwd. De minister heeft mogen vinden dat de screenshots van berichten over Houthi’s en het onderwijs aan kinderen en de brief van zijn echtgenote onvoldoende zijn om het asielmotief aannemelijk te maken. Eiser heeft gelijk dat ook uit openbare bronnen blijkt dat de Houthi’s rekruteren door bijvoorbeeld indoctrinatie op scholen. [5] Uit deze stukken blijkt echter niet – ook niet in samenhang gezien – dat eiser te maken heeft gehad met pogingen om hem te rekruteren. Volgens eiser hebben de pogingen tot rekrutering ook niet op een school plaatsgevonden. De minister heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat eiser dit asielmotief niet met objectieve documenten aannemelijk heeft gemaakt.
8. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft mogen vinden dat eiser vaag en summier heeft verklaard over de bescherming van zijn vader tegen de rekrutering. Hoewel eiser weinig hiervan weet omdat zijn vader hem beschermde, mag de minister in redelijkheid meer van eiser verwachten dan wat hij tot nu toe hierover heeft verklaard. Volgens eiser kwam het wijkhoofd, dat druk uitoefende op het gezin om rekruten voor de Houthi’s aan te leveren, namelijk maandelijks langs gedurende een twee of drie jaar. Ook mag de minister vinden dat eiser wisselend heeft verklaard over de periode waarin de rekrutering zou hebben plaatsgevonden. Eiser koppelt de periode waarin de Houthi’s hem probeerden te rekruteren namelijk zelf aan de periode dat hij naar school ging. Het is daarom merkwaardig dat eiser wel in staat is te verklaren in welke periode hij naar school ging [6] , maar niet in staat is eenduidig te verklaren over de periode waarin de Houthi’s hem zouden hebben willen rekruteren. Ook mag de minister eiser tegenwerpen dat hij vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over waarom hij niet in 2020 is vertrokken. Eiser heeft deze tegenwerping in beroep niet betwist. Zoals hiervoor al vastgesteld, kan uit de door eiser overgelegde stukken niet worden afgeleid dat eiser te maken heeft gehad met pogingen tot rekrutering. De minister heeft daarom mogen vinden dat deze documenten het asielmotief niet ondersteunen.
8.1.
De minister heeft eiser niet kunnen tegenwerpen dat hij in het gehoor door de politie, het aanmeldgehoor en het nader gehoor wisselend heeft verklaard over zijn reden van vertrek uit Jemen, omdat dit verklaringen zijn die eiser tijdens de aanmeldfase heeft afgelegd. Uit artikel 3.108d, vijfde lid van het Vreemdelingenbesluit (hierna: Vb) volgt dat dergelijke verklaringen over de asielmotieven niet worden betrokken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag. Ook als de minister, gelet op artikel 3.113, eerste lid, van het Vb, eisers in de aanmeldfase afgelegde verklaringen wel had mogen betrekken, omdat hij tijdens het nader gehoor is geconfronteerd met zijn tegenstrijdige verklaringen, [7] kan de tegenwerping nog steeds geen stand houden. Anders dan waarvan de minister uitgaat, zijn de vragen ‘
Wat is de reden dat u naar Nederland bent gekomen?’en
‘Wat is de reden […] dat u Jemen hebt verlaten?’verschillende vragen, zodat daarop verschillende antwoorden mogelijk zijn. Het is daarom niet gek dat eiser verschillend heeft geantwoord. Dit doet echter onvoldoende af aan hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen. De minister heeft mogen vinden dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
9. De rechtbank is in overwegingen 8. en 8.1. tot de conclusie gekomen dat de minister heeft mogen vinden dat eiser niet aan alle cumulatieve voorwaarden voldoet. Eiser meent – meer subsidiair – dat de minister hem desondanks het voordeel van de twijfel dient te gunnen. De rechtbank is het met eiser eens dat het mogelijk is om een asielmotief in bepaalde gevallen geloofwaardig te achten ondanks dat strikt genomen niet aan alle cumulatieve voorwaarden om de geloofwaardigheid te beoordelen wordt voldaan. [8] Maar eiser heeft niet uitgelegd waarom de minister hem het voordeel van de twijfel had moeten gunnen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat de minister eiser het voordeel van de twijfel had moeten gunnen.
10. De conclusie is dat naar het oordeel van de rechtbank de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de door eiser gestelde problemen vanwege gedwongen rekrutering door de Houthi’s ongeloofwaardig zijn.
De problemen doordat eisers broer een moord heeft gepleegd
11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden dat eiser in Jemen problemen zal ervaren omdat zijn broer een Houthi heeft vermoord. Eiser stelt dat hij dit asielmotief wel met objectieve stukken heeft onderbouwd en wijst daarbij op vier stukken die hij heeft overgelegd. De minister moet onderzoeken of deze stukken lijken op vergelijkbare stukken. Verder kan de minister niet tegenwerpen dat eiser zijn familierechtelijke relatie met de gezochte man – zijn (gestelde) broer – niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiser kan niet worden verweten dat hij summier heeft verklaard, omdat hij al uit Jemen was gevlucht toen het incident plaatsvond. Eiser heeft verteld wat hij van zijn neef heeft gehoord over de moord.
12. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde problemen ongeloofwaardig zijn. Ook als ervan uit moet worden gegaan dat de door eiser overgelegde kopieën van een aanhoudingsbevel, stukken van een Openbaar Ministerie en het verzoek van een rechtbank over zijn broer gaan, dan betekent dat nog niet dat de minister geloofwaardig moet vinden dat eiser door de problemen van zijn broer zelf problemen heeft gekregen. De minister heeft mogen tegenwerpen dat dit niet blijkt uit de stukken die eiser heeft overgelegd. Eiser heeft wel verklaard dat een familielid wordt opgepakt als de dader niet kan worden opgepakt. Maar de minister mag die verklaring onvoldoende vinden om de door eiser gestelde problemen te onderbouwen. De minister heeft dan ook mogen vinden dat eiser zijn gestelde problemen baseert op vermoedens. Aan verklaringen van derden, van horen zeggen, kunnen nu eenmaal minder waarde worden gehecht dan aan verklaringen van eerste hand.

Gegronde vrees voor vervolging

Deelname aan een demonstratie in Nederland en een politieke/ideologische overtuiging
13. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij geen gegronde vrees heeft voor vervolging bij een terugkeer naar Jemen vanwege zijn deelname aan een demonstratie in Nederland. Volgens eiser zien de Jemenitische autoriteiten deze demonstatie wel degelijk als een demonstratie tegen de Houthi’s was in plaats van een demonstratie tegen het Nederlandse asielbeleid aangaande Jemenitische vluchtelingen. Eiser is op filmpjes van deze demonstratie te zien en die zijn in Jemen getoond. Hij heeft een politieke overtuiging die hem bij een terugkeer naar Jemen in de problemen zal brengen. Eiser zal bij een terugkeer ook gevaar lopen vanwege zijn levenswijze op religieus vlak en gelet op zijn normen en waarden en de in Jemen geldende wetten.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Jemenitische autoriteiten staat vanwege zijn deelname aan een demonstratie in Nederland. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd dat de demonstratie in Jemen anders is uitgelegd. De enkele stelling is daartoe onvoldoende. Verder heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij in de negatieve aandacht van de Jemenitische autoriteiten zal staan vanwege zijn deelname aan een demonstratie – dus losstaand van het onderwerp van de demonstratie – in Nederland, al dan niet in samenhang gezien met de situatie rondom eisers broer. Of eiser goed zichtbaar is in het filmpje is daarom niet relevant. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging vanwege zijn deelname aan een demonstratie in Nederland niet aannemelijk heeft gemaakt.
14.1.
Verder heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom eiser niet behoort tot het risicoprofiel ‘persoon die actief is in de politiek’. Door enkel te stellen dat hij een politieke overtuiging heeft ‘die hem in de problemen zal brengen’ en dat zijn familie zich altijd heeft afgezet tegen de Houthi’s ‘met alle gevolgen van dien’, maakt eiser niet duidelijk waarom de beoordeling van de minister onjuist is. Voor zover eiser doelt op zijn verklaring dat zijn vader met pensioen is gegaan omdat hij geen les wilde geven over de Houthi ideologie, wijst de rechtbank op eisers verklaring dat dit in 2018 zou hebben plaatsgevonden en eiser heeft niet verklaard dat hij of zijn familie daardoor problemen heeft ondervonden. [9] Eiser maakt verder niet concreet waarom hij gevaar loopt vanwege een (gestelde) andere levenswijze op religieus of ideologisch vlak dan de Houthi’s, waardoor de minister hem ook op dit punt niet hoeft te volgen.
Negatieve aandacht van de autoriteiten om andere redenen
15. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte stelt dat hij geen gegronde vrees heeft voor vervolging door de Houthi’s en andere milities in Jemen. Zijn familie staat in de negatieve aandacht van de Houthi’s en eiser daardoor ook. Hij heeft ook geweigerd zich bij de Houthi’s aan te sluiten. En andere milities zullen eiser als spion/terrorist/Houthi zien omdat hij uit een gebied komt waar de Houthi de macht hebben. Eiser heeft ook andere politieke/ideologische standpunten, een andere geloofsovertuiging en keert na een lange afwezigheid terug vanuit het Westen waar hij heeft gedemonstreerd tegen de situatie in Jemen waardoor het aannemelijk is dat hij als afvallig/deserteur/verrader zal worden gezien. Daarom vreest eiser voor vervolging vanwege zijn afkomst, geloofsovertuiging en politiek/ideologische overtuiging.
16. Naar het oordeel van de rechtbank hoeft de minister eiser niet te volgen in zijn betoog dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege negatieve aandacht van de Houthi’s voor zijn familie. Eiser heeft niet uitgelegd tot welke vervolgingsgrond deze omstandigheden te herleiden zou zijn. Zoals hiervoor overwogen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht staat vanwege zijn broer. En de rechtbank heeft in overweging 13.1. al uitgelegd waarom niet aannemelijk is dat eiser (en/of zijn familie) in de negatieve aandacht staat omdat zijn vader met pensioen is gegaan in plaats van de Houthi ideologie te onderwijzen.
16.1.
In overwegingen 7. tot en met 9. heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ongeloofwaardig mag vinden dat eiser problemen heeft vanwege gedwongen rekrutering. De minister hoeft eiser daarom ook niet te volgen in zijn stelling dat hij in de negatieve aandacht staat of zal staan omdat hij heeft geweigerd zich bij de Houthi’s aan te sluiten. Eiser heeft eveneens niet aannemelijk gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege zijn lange afwezigheid uit Jemen of een terugkeer vanuit het Westen. Eiser heeft dit niet met stukken onderbouwd terwijl de minister op het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025 wijst, waarin staat dat er geen informatie hierover beschikbaar is. Daarbij heeft eiser ook op dit punt niet uitgelegd tot welke vervolgingsgrond dit te herleiden zou zijn. Verder heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat hij door andere milities als spion/terrorist/Houthi zal worden gezien omdat hij uit een gebied komt waar Houthi’s de macht hebben. Dit blijkt in ieder geval niet uit het artikel van SAM Organization for Rights and Liberties [10] waar eiser naar verwijst. De rechtbank heeft in overwegingen 14. en 14.1. al uitgelegd waarom de minister heeft mogen vinden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Jemenitische autoriteiten staat vanwege zijn deelname aan een demonstratie in Nederland en dat hij niet behoort tot het risicoprofiel ‘persoon die actief is in de politiek’. Tot slot heeft eiser niet geconcretiseerd welke geloofsovertuiging hij aanhangt waardoor hij een gegronde vrees heeft voor vervolging bij een terugkeer naar Jemen.
17. De conclusie is dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser bij een terugkeer naar Jemen geen gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege de problemen en/of omstandigheden die hij heeft aangevoerd.

Het nieuwe asielbeleid Jemen

Achtergrond en beleid
18. De rechtbank heeft in 2024 in een uitspraak [11] de achtergrond van de oorlog in Jemen geschetst en het beleid van de minister tot dat moment beschreven. [12] Overwegingen 6. en 6.1. van die uitspraak zijn in de onderhavige zaak van overeenkomstige toepassing. Sindsdien hebben nieuwe ontwikkelingen plaatsgevonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft op 16 juli 2025 in een vergelijkbare zaak een richtinggevende uitspraak gedaan. [13] De Afdeling heeft – onder andere en kort samengevat – geoordeeld dat de minister bij het beoordelen of er sprake is van een situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [14] (hierna: artikel 15c) ook rekening moet houden met de humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict. Op het moment van die uitspraak was het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van het nieuwe ambtsbericht.
18.1.
De minister heeft de algemene veiligheidssituatie in Jemen opnieuw beoordeeld en heeft daarbij het nieuwe ambtsbericht en de uitspraak van de Afdeling betrokken. [15] De minister heeft per provincie beoordeeld van welke gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c er sprake is. In [regio] – de provincie waar eiser vandaan komt – is volgens de minister sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Er zijn in [regio] geen actieve frontlinies, waardoor het aantal dodelijke burgerslachtoffers beperkt is. Daarbij heeft de minister over de humanitaire omstandigheden uitgelegd dat Jemen al voor het huidige conflict een hoge mate van voedselonzekerheid en waterschaarste kende als gevolg van armoede en natuurlijke fenomenen zoals aardbevingen en overstromingen. Zo wijst de minister op bronnen waarin staat dat in 2008 in Jemen 35 procent van de bevolking ondervoed was. Maar in de ‘bijlage 15c beoordeling Jemen’ staat ook dat de humanitaire situatie vanwege het conflict is verergerd. Zo leidde de escalatie in de Rode Zee tot een daling van het aantal vrachtschepen die Jemen aandeden terwijl het land qua voedselvoorziening in grote mate afhankelijk is van import. Ook plaatsen de Houthi’s langs de frontlijnen op grote schaal landmijnen waardoor landbouwgebieden en bewoonde gebieden onbruikbaar zijn gemaakt voor de voedselproductie. Door Israëlische luchtaanvallen op kritieke infrastructuur kunnen humanitaire goederen het land niet in en de Houthi’s dwarsbomen de toegang tot basisbehoeften en humanitaire hulp als wapen in de strijd.
Oordeel van de rechtbank
19. In beroep heeft het geschil zich toegespitst op de vraag of het gewijzigde beleid van de minister voldoet aan de opdracht van de Afdeling om de humanitaire omstandigheden te betrekken in de beoordeling of er in Jemen sprake is van een situatie in de zin van artikel 15c.
20. De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting verzocht een standpunt in te nemen over een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam. [16] De minister heeft toegelicht dat de ‘bijlage 15c beoordeling Jemen’ is opgesteld naar aanleiding van het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025, maar dat het stuk vlak voor de bekendmaking van het nieuwe beleid op 8 oktober 2025 is herzien en afgerond in verband met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De datum op het document is toen niet aangepast. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen over de inhoud van het nieuwe beleid, acht de rechtbank de discussie over de datering van voornoemde bijlage niet langer relevant.
21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met de beleidswijziging van 17 oktober 2025 niet voldaan aan de uitspraak van de Afdeling en het arrest CF en DN [17] van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie). Hieronder zal de rechtbank uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.
21.1.
Anders dan de minister naar voren heeft gebracht, blijkt uit de ‘bijlage 15c beoordeling Jemen’ en bijbehorende stukken [18] niet dat de minister de humanitaire omstandigheden als direct of indirect gevolg van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld deugdelijk in kaart heeft gebracht. De rechtbank heeft in 2024 over het oude beleid van de minister geoordeeld dat hij inzichtelijk moet maken hoe de (slechte) humanitaire situatie in Jemen wordt meegewogen in de beoordeling in het kader van artikel 15c. Met het huidige beleid heeft de minister opnieuw nagelaten te motiveren hoe de in overweging 18.1. vermelde omstandigheden, die niet limitatief zijn, tegen elkaar zijn afgezet en hoe groot het aandeel van de strijdende partijen daarin is. Zo lang de minister dit niet deugdelijk in kaart brengt, kan de minister evenmin vaststellen of de strijdende partijen in overwegende mate verantwoordelijk zijn voor de huidige humanitaire situatie in (een regio in) Jemen. Juist die vaststelling maakt duidelijk in hoeverre de verslechtering van de humanitaire omstandigheden – en daarmee dus in aanmerking nemend de slechte humanitaire situatie vóór de start van het conflict – het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict en daarom moeten worden betrokken in de beoordeling.
21.2.
Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat de minister volgens het arrest CF en DN van het Hof van Justitie bij een beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c alle relevante omstandigheden
globaalin aanmerking moet nemen. Dit betekent dat de minister een allesomvattende beoordeling van de relevante omstandigheden moet maken, en niet een algemene (oppervlakkige) zoals de minister suggereert. De rechtbank wijst op andere taalversies van het arrest. Volgens de Engelse versie moet de minister een ‘
comprehensiveappraisal of all the relevant circumstances’ maken. De Franse versie heeft het over ‘
une prise en compte globalede toutes les circonstances’ en de Duitse versie over ‘eine
umfassendeBerücksichtigung aller Umstände des Einzelfalls’. Het (grotendeels) algemeen omschrijven van de humanitaire situatie en in dat verband stellen dat ‘in sommige gevallen de humanitaire situatie door de gehanteerde oorlogsmethoden verslechterde’, kan niet als een comprehensive appraisal worden aangemerkt. Het betoog van verweerder dat humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van de actor van ernstige schade niet doorslaggevend kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15c is weliswaar in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, maar leidt niet tot een ander oordeel dan in overweging 21.1 uiteen is gezet. Immers, een allesomvattende beoordeling van de relevante omstandigheden brengt met zich dat alle omstandigheden worden meegewogen en het relatieve gewicht van elke omstandigheid afhankelijk is van de hoeveelheid willekeurige slachtoffers die deze omstandigheden maken. Een actor kan bijvoorbeeld een hongersnood creëren door een stad te omsingelen. Ook kan een hongersnood in een stad/regio/land het gevolg zijn van de omstandigheid dat voor landbouw noodzakelijke infrastructuur is vernietigd door een actor in combinatie met de omstandigheid dat de haven door een actor is vernietigd en waardoor geen hulpgoederen kunnen binnenkomen. Als door dergelijke humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van de actor van ernstige schade een hoog percentage van de bevolking sterft van de honger, zal de invloed van de humanitaire omstandigheden wel degelijk groot kunnen zijn bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c.
21.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet op deugdelijke wijze en conform het arrest CF en DN de humanitaire omstandigheden betrokken in de beoordeling of er in Jemen – of specifiek in de [regio] – sprake is van een situatie in de zin van artikel 15c. De minister heeft daarmee volgens de rechtbank niet voldaan aan de opdracht van de Afdeling die volgt uit de uitspraak van 16 juli 2025.
22. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond.
23. Eiser heeft verder onder andere aangevoerd dat in Jemen sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld in de zin van artikel 15c en wijst ter onderbouwing van zijn stelling op meerdere nieuwsartikelen. De rechtbank komt gelet op de voorgaande overwegingen niet toe aan een beoordeling van deze beroepsgronden.

Artikel 3 van Pro het EVRM

24. Eiser voert in dit kader aan dat iedereen die op dit moment naar Jemen wordt teruggestuurd, het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM zoals bedoeld in het arrest Sufi en Elmi [19] van het EHRM. Ter onderbouwing wijst eiser op meerdere artikelen en rapporten. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd dat de humanitaire situatie in Jemen niet voornamelijk is te wijten aan directe en indirecte acties van de strijdende partijen bij het conflict.
25. In het arrest Sufi en Elmi onderscheidt het EHRM humanitaire problemen die in overwegende mate zijn ontstaan als gevolg van een gewapend conflict, van humanitaire problemen die worden veroorzaakt door armoede en natuurrampen. Als de humanitaire situatie in overwegende mate is of wordt veroorzaakt door de strijdende partijen, dan moet de minister eisers ‘
ability to cater to his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treamtent and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame’ betrekken. Als blijkt dat de humanitaire crisis niet in overwegende mate is of wordt veroorzaakt door de strijdende partijen, dan wordt artikel 3 EVRM Pro slechts geschonden als sprake is van ‘
very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. [20] De minister heeft dit in de bestreden besluitvorming niet inzichtelijk beoordeeld. Hij kan – zeker voor wat betreft de beoordeling van de laatste zin van het citaat - niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Het moet de minister bekend zijn dat het Hof van Justitie al in 2009 in het arrest Elgafaji heeft verduidelijkt dat artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15c autonoom moet plaatsvinden. De rechtbank merkt op dat zij de minister hier ook al in 2024 op heeft gewezen. Het is gezien de samenwerkingsplicht aan de minister om duidelijkheid te scheppen over de oorzaak van de humanitaire situatie in Jemen, omdat hij de actuele algemene situatie in het land van herkomst moet onderzoeken en zo nodig met de vreemdeling moet samenwerken om alle feiten te verzamelen. [21] Eiser heeft overigens in zijn zienswijze van 8 april 2025, beroepschrift van 16 april 2025 en aanvullende reacties van 5 februari 2026 en 2 maart 2026 op talloze artikelen en rapporten gewezen. Het is aan de minister om te beoordelen of deze stukken relevant zijn voor de beoordeling die hij moet maken.
26. De conclusie is dat het bestreden besluit ook op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
27. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat dit in strijd is met de motiveringsplicht. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister zal een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen en daarbij rekening moeten houden met deze uitspraak.
28. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De ze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0.5 punt voor het indienen van een reactie op verzoek van de rechtbank. Met een waarde van € 934,-).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzitter, en mr. M.D. Gunster en mr. S.J.L. Crombach, leden, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Deze zaak is ook bekend onder het zaaknummer NL25.17783.
3.WBV 2025/20.
4.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
5.Zoals het Algemeen Ambtsbericht Jemen van april 2025, p. 89 e.v.
6.Zie bijvoorbeeld p. 8 en 9 van het nader gehoor van 3 april 2025.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2459.
8.Zie de uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.
9.Zie p. 4 en 10 van het nader gehoor van 3 april 2025.
10.‘A grave violation of the law demanding accountability. Parading a corpse through Abyan’s streets is a heinous crime, 13 april 2025.
11.Zie de uitspraak van 28 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19859, r.o. 6. en 6.1.
12.De uitspraak van de rechtbank is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juli 2025 bevestigd. Zie ECLI:NL:RVS:2025:3154.
13.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
14.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die
15.Zie WBV 2025/20, het Landenbeleid Jemen van 8 oktober 2025, de Beslisnota bij de Kamerbrief over het landenbeleid Jemen van 18 april 2025 en de Bijlage 15c beoordeling Jemen van 18 juni 2025.
17.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (
18.WBV 2025/20, het Landenbeleid Jemen van 8 oktober 2025, de Beslisnota bij de Kamerbrief over het landenbeleid Jemen van 18 april 2025.
19.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
20.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 mei 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505, par. 43 (
21.Zie artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, r.o. 6.2.