ECLI:NL:RBDHA:2026:18738
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging opvang vreemdelingenvoorziening
De zaak betreft een bezwaar van eiseres tegen het besluit van de minister om de opvang en begeleiding op grond van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht te beëindigen per 1 januari 2025. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiseres geen procesbelang meer zou hebben, aangezien zij geen gebruik meer maakt van de LVV.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op dit standpunt heeft gesteld. Eiseres heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend en maakt gebruik van opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Hierdoor is het doel van het bezwaar, namelijk het behoud van LVV-opvang, feitelijk komen te vervallen.
De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat de LVV-opvang voordelen biedt ten opzichte van de COa-opvang en concludeert dat het procesbelang ontbreekt. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat deze termijn niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven.
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en wijst het verzoek om griffierechtvrijstelling toe. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de LVV-opvang is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.