ECLI:NL:RBDHA:2026:18760

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
SGR 25/4119
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen WIA-aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk; proceskostenveroordeling UWV

Eiseres diende een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV besloot niet tijdig op deze aanvraag, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank. Tijdens de procedure heeft het UWV alsnog een inhoudelijk besluit genomen, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard.

De rechtbank oordeelde dat eiseres aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen had voldaan, waaronder het tijdig in gebreke stellen van het UWV. Omdat het UWV alsnog een besluit nam, kwam het UWV inhoudelijk aan het beroep tegemoet. Dit vormde een grond voor proceskostenveroordeling.

De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van de door eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten van €467,- en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €53,-. Het beroep werd zonder zitting behandeld en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 8 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het UWV is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4119

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.P.J.M. van Gestel),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: B.M. de Wolff).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
1.1.
De rechtbank heeft het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op 13 juni 2025 ontvangen.
1.2.
Op 28 juli 2025 heeft het Uwv alsnog een besluit op de aanvraag bekendgemaakt (het primaire besluit). Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
De rechtbank heeft eiseres gevraagd of zij haar beroep wenst in te trekken. Eiseres heeft haar beroep niet ingetrokken.
1.4.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep van eiseres ontvankelijk?
2. Omdat het Uwv inhoudelijk aan het beroep van eiseres tegemoet is gekomen door alsnog een besluit te nemen, heeft eiseres geen procesbelang meer bij een beoordeling van het beroep. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag van eiseres is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Wordt het Uwv veroordeeld in de proceskosten van eiseres?
3. De bestuursrechter kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken. [2]
4. Het is vaste rechtspraak dat een grond voor proceskostenveroordeling gelegen kan zijn in de omstandigheid dat het desbetreffende bestuursorgaan aan de betrokkene is tegemoetgekomen. Het is ook vaste rechtspraak dat wanneer hangende de procedure tegen het uitblijven van een tijdig besluit alsnog een besluit wordt genomen, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. [3] Hiervoor is wel van belang dat is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Als niet is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit, bestaat geen recht op een vergoeding van proceskosten.
4.1.
Een belanghebbende moet, voor hij beroep kan instellen tegen het niet tijdig beslissen door een bestuursorgaan, schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. [4]
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op de aanvraag is overschreden. Eiser heeft het Uwv in gebreke gesteld en tussen de ontvangst daarvan door het Uwv op 24 april 2025 en het moment waarop beroep is ingesteld, zijn meer dan twee weken verstreken. Er is daarom voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit. Het Uwv is vervolgens aan eiseres tegemoetgekomen door alsnog te beslissen op haar aanvraag. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van eiseres.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank veroordeelt het Uwv daarom in de door eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
6. De rechtbank ziet in de uitkomst van de zaak aanleiding te bepalen dat het Uwv aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt, omdat het Uwv aan het beroep tegemoet is gekomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit volgt uit artikel 8:75 van Pro de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:273, en van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753.
4.Dit staat in artikel 6:12 van Pro de Awb.