ECLI:NL:RBDHA:2026:18760
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen WIA-aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk; proceskostenveroordeling UWV
Eiseres diende een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Het UWV besloot niet tijdig op deze aanvraag, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank. Tijdens de procedure heeft het UWV alsnog een inhoudelijk besluit genomen, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank oordeelde dat eiseres aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig beslissen had voldaan, waaronder het tijdig in gebreke stellen van het UWV. Omdat het UWV alsnog een besluit nam, kwam het UWV inhoudelijk aan het beroep tegemoet. Dit vormde een grond voor proceskostenveroordeling.
De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van de door eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten van €467,- en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €53,-. Het beroep werd zonder zitting behandeld en de uitspraak werd in het openbaar gedaan op 8 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het UWV is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.