Eiser heeft een opvolgend beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. In een eerdere procedure had de rechtbank de minister al opgedragen binnen acht weken een beslissing te nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. De minister heeft echter niet binnen deze termijnen beslist.
De rechtbank constateert dat het dossier mogelijk nog niet compleet is, maar gelet op het eerdere vonnis en het verstreken tijdsverloop, legt zij een nieuwe beslistermijn van vier weken op. Tevens wordt de minister verplicht een dwangsom van €100 per dag te betalen bij overschrijding, met een maximum van €15.000.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €233,50, rekening houdend met een wegingsfactor vanwege de beperkte omvang van het opvolgend beroep. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.