ECLI:NL:RBDHA:2026:18861
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging gecombineerde vergunning verblijf en arbeid voor kok in Aziatische horeca
Eiser, een Indiase kok werkzaam in de Aziatische horeca, verzocht om verlenging van zijn gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA). De minister wees de aanvraag af op basis van een negatief arbeidsmarktadvies van het UWV, dat stelde dat niet aan de voorwaarden van de Wet arbeid vreemdelingen was voldaan, met name vanwege onvoldoende wervingsinspanningen op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Eiser voerde aan dat er sprake was van een vaste gedragslijn die soepelere toetsingscriteria hanteerde voor koks in de Aziatische horeca, waardoor hij erop mocht vertrouwen dat zijn aanvraag positief zou worden beoordeeld. Ook stelde hij dat de minister zich ten onrechte uitsluitend op een recent EVZ-rapport baseerde en onvoldoende rekening hield met een ouder Panteia-rapport.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van toezeggingen of gedragingen van de overheid die het vertrouwensbeginsel rechtvaardigen. De beleidswijziging was duidelijk en voorzienbaar gecommuniceerd. Het EVZ-rapport mocht als deskundigenadvies worden gevolgd, terwijl het Panteia-rapport slechts beleidsinput was geweest en niet doorslaggevend hoefde te zijn.
Verder concludeerde de rechtbank dat de wervingsinspanningen van de werkgever onvoldoende concreet en onderbouwd waren, met name op de Nederlandse arbeidsmarkt. De ondersteunende wervingsactiviteiten waren niet toereikend om als voldoende te gelden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verlengingsaanvraag voor de GVVA wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende wervingsinspanningen en het ontbreken van schending van het vertrouwensbeginsel.