ECLI:NL:RBDHA:2026:18874
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening visum
Verzoeker diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf, welke door de minister op 30 oktober 2025 werd afgewezen. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Tijdens de zitting op 7 januari 2026 werd het verzoek behandeld. Op 20 januari 2026 verklaarde de minister het bezwaar gegrond en verleende het visum, waarna verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De voorzieningenrechter overwoog dat een bestuursorgaan alleen in proceskosten kan worden veroordeeld als het geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening, wat inhoudt dat het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort of een maatregel neemt die het doel van de voorlopige voorziening dient. De minister had het bezwaar gegrond verklaard, maar dit werd niet gezien als tegemoetkomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het spoedeisende karakter van het verzoek niet relevant is voor de beoordeling van tegemoetkoming. Verzoeker had bovendien niet aannemelijk gemaakt dat de minister zonder aanvullende informatie al tot een positieve beslissing had moeten komen. Daarom werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om vergoeding van proceskosten wordt afgewezen omdat de minister niet is tegemoetgekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening.