ECLI:NL:RBDHA:2026:18878

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35542
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 44a Vw 2000Art. 8 EVRMArt. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens risico op onttrekking toezicht

Eiseres is geconfronteerd met een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Zij betwist de rechtmatigheid van deze maatregel en vordert tevens een schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de staandehouding en de bewaring rechtmatig zijn.

De rechtbank oordeelt dat de staandehouding niet onrechtmatig is, ondanks dat eiseres betoogt dat er eerst had moeten worden aangebeld. Artikel 44a van de Vreemdelingenwet 2000 geeft ambtenaren de bevoegdheid om zonder toestemming een woning te betreden voor overdracht van vreemdelingen, en dit is in lijn met artikel 8 EVRM Pro zolang er een wettelijke grondslag en proportionaliteit is.

De minister heeft voldoende gronden aangevoerd voor de bewaring, waaronder het bestaan van een overdrachtsbesluit, het niet meewerken aan overdracht, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en het risico op onttrekking aan toezicht. De rechtbank acht deze feiten juist en voldoende zwaarwegend. Ook is het beroep op een lichter middel ongegrond, omdat de minister heeft gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk is en medische omstandigheden van eiseres geen reden vormen voor een lichtere maatregel.

Ten slotte is er geen gebrek aan zicht op uitzetting, aangezien een vlucht gepland staat. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35542

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Eiseres is het niet eens met die maatregel. Zij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft de minister aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [1]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Is de staandehouding onrechtmatig geweest?
3. Eiseres voert aan dat de staandehouding onrechtmatig is geweest. In de wet is niet bepaald dat je met een machtiging zonder toestemming binnen
moettreden, maar dat dit
kan. Uit het proces-verbaal van de staandehouding blijkt dat eiseres lag te slapen. Het was juist geweest om eerst aan te kloppen en te wachten tot zij opendeed, voordat was overgegaan tot het binnentreden. Nu dit is nagelaten, was de inval evident disproportioneel en in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM.
3.1.
Artikel 44a, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 bepaalt dat ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd zijn elke plaats te betreden, daaronder begrepen een woning zonder toestemming van de bewoner, teneinde de vreemdeling over te dragen. De rechtbank is van oordeel dat artikel 44a van de Vw 2000 grond geeft voor de staandehouding en de inbewaringstelling, omdat deze het begin vormen van het overdrachtstraject. De rechtbank is het met eiseres eens dat het netjes was geweest om eerst aan te kloppen en te wachten tot zij opendeed, alvorens over te gaan tot het binnentreden. Dit maakt echter niet dat de staandehouding onrechtmatig is geweest. Wanneer een inbreuk wordt gemaakt op het recht op eerbiediging van de levenssfeer, dan levert dit namelijk geen schending van artikel 8 van Pro het EVRM op, indien er een toereikende wettelijke grondslag voor die inbreuk bestaat. De bevoegdheid tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is in de Algemene wet op het binnentreden voorzien en zolang deze voldoet aan de eisen van dringende maatschappelijke noodzaak en evenredigheid, is van strijdigheid met artikel 8 van Pro het EVRM heeft sprake. [2] De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiseres worden opgelegd?
4. De minister heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiseres:
k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
p. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.2.
Eiseres heeft alle gronden betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister grond k terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, is de asielaanvraag van eiseres met het besluit van 30 maart 2026 niet in behandeling genomen. Dit besluit geldt tevens als overdrachtsbesluit. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 juni 2026, is het beroep hiertegen ongegrond verklaard. [3] Eiseres heeft tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling verklaard niet mee te willen werken aan een terugkeer naar Spanje. De stelling van eiseres dat zij wel wil meewerken aan een terugkeer naar Baskenland, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond.
Ook is grond r feitelijk juist, omdat eiseres niet op een gesteld adres staat ingeschreven in de BRP. [4] Dat eiseres, zoals zij stelt, als vreemdeling voor een verblijfplaats afhankelijk is van opvangvoorzieningen van het COa [5] , maakt dit niet anders. Daarnaast heeft de minister bij deze grond voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit, door te stellen dat het risico dat eiseres onderduikt en niet traceerbaar is, groot is.
4.3.
Gronden k en r zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 te kunnen dragen. [6] Wat eiseres verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiseres voert aan dat voor een lichter middel gekozen had moeten worden, nu er onvoldoende gronden van de maatregel overblijven om als feitelijk juist en als voldoende zwaarwegend te gelden. Daar komt bij dat niet is gebleken dat eerder een lichter middel is beproefd. Daarnaast is eiseres bijzonder kwetsbaar en drukt de maatregel onevenredig zwaar op haar, nu zij een medische achtergrond heeft. Het zwaarste middel – het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel – om een vlucht te verzekeren, is onnodig en staat dan ook niet in redelijke verhouding tot de persoonlijke belangen van eiseres om in vrijheid te worden gesteld.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring voldoende gemotiveerd waarom vreemdelingenbewaring noodzakelijk is en waarom niet met een minder dwingende maatregel kon worden volstaan. Uit de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden volgt dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Zoals onder 4.3 overwogen, zijn er voldoende gronden die de maatregel van bewaring kunnen dragen. Daarnaast heeft de minister in het bestreden besluit gewezen op het feit dat in het detentiecentrum medische voorzieningen aanwezig zijn waar eiseres zich toe kan wenden als dat nodig is. Niet is gebleken dat deze voorzieningen voor eiseres niet toegankelijk waren of dat er geen adequate zorg aan eiseres kon worden verstrekt. De door eiseres aangevoerde medische omstandigheden zijn onvoldoende om te oordelen dat de vreemdelingenbewaring voor haar onevenredig bezwarend is of dat de minister hierin aanleiding had moeten zien om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
6. Eiseres voert aan dat de minister op 2 juli 2026 een stuk aan het rechtbankdossier heeft toegevoegd met als titel ‘bijlage’. Dit blijkt een stuk te zijn over een vlucht, gepland voor 8 juli 2026. Dit is op geen enkele wijze verder duidelijk gemaakt.
6.1.
De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat dit stuk een vluchtakkoord is en dat voor eiseres een vlucht is gepland voor 8 juli 2026. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen en ziet niet in waarom het zicht op uitzetting in het geval van eiseres zou ontbreken. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [7]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
2.ABRvS 28 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:177.
4.Basisregistratie Personen.
5.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
6.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.