ECLI:NL:RBDHA:2026:18902

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
AWB 25/15823
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 1F Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens 1F-status en belangenafweging

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, welke door de minister is afgewezen vanwege zijn 1F-status en een zwaar inreisverbod. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de 1F-status van eiser vaststaat en dat de minister deze status terecht heeft betrokken bij de belangenafweging.

De minister heeft erkend dat er sprake is van familieleven tussen eiser en zijn echtgenote, kinderen en kleinkinderen, maar heeft de aanvraag afgewezen omdat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het belang van eiser bij voortzetting van het familieleven en verblijf in Nederland. Eiser voerde aan dat de belangenafweging onevenredig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische situatie en mantelzorgbehoefte.

De rechtbank oordeelt dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken, waaronder de ernst van de misdrijven die aan eiser worden toegerekend, het langdurige onrechtmatige verblijf en het feit dat eiser geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn verleden. De medische situatie van eiser is betrokken, maar onvoldoende onderbouwd om nader onderzoek te rechtvaardigen.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister geen verblijfsvergunning hoefde te verlenen. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM vanwege de 1F-status en het zwaarder wegen van het staatsbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/15823

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. C.J. Driessen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Inleiding

1.1
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
1.2
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 november 2022 afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 16 juli 2024 is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld.
1.3
Met de uitspraak van 3 juni 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. [1]
1.4
Met het besluit van 29 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft daarbij verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer AWB 25/15824. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
1.5
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, T. Coric als tolk, en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van Pro het EVRM ingediend. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. De minister heeft wel aangenomen dat tussen eiser en zijn echtgenote sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, maar volgens de minister is tussen eiser en zijn meerderjarige kinderen geen sprake van familieleven. Uit de verklaringen van eiser is namelijk niet gebleken dat sprake is van een relatie met zijn volwassen kinderen die de gebruikelijke banden overstijgt. De minister heeft overwogen dat een zwaar inreisverbod van toepassing is, zodat sprake is van een inmenging in eisers recht op familie- en gezinsleven. Deze inmenging is echter gerechtvaardigd in het belang van de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, omdat artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag, Vv) op eiser van toepassing is. De belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen. De minister heeft bij deze belangenafweging onder meer betrokken dat eiser na zijn komst naar Nederland meerdere keren is veroordeeld tot zowel gevangenisstraf als taakstraffen, en dat eiser en zijn echtgenote lange tijd in Bosnië en Herzegovina hebben gewoond, zodat zij hun familieleven ook daar kunnen uitoefenen. De minister heeft geconcludeerd dat het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag ongegrond is. Eiser is daartegen in beroep gegaan.
3. In de uitspraak van 3 juni 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats [2] geoordeeld dat de 1F-status van eiser in rechte vaststaat en dat de minister dit mocht betrekken bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft echter niet deugdelijk gemotiveerd waarom tussen eiser en zijn meerderjarige kinderen geen familieleven is. Ook heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd dat uit de gedragingen van eiser na de misdrijven uit 1992 en 1993 geen respect voor de rechtsorde blijkt. De minister heeft in de beslissing op bezwaar van 16 juli 2024 namelijk gewezen op Justitiële Documentatie, maar de rechtbank heeft deze documentatie niet kunnen terugvinden in het dossier. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke misdrijven (verder) nog aan eiser worden tegengeworpen en welk gewicht daaraan wordt gehecht in de belangenafweging.
4. Met het bestreden besluit heeft de minister een nieuwe beslissing genomen op het bezwaar van eiser. Allereerst is opgemerkt dat de 1F-status een vaststaand gegeven is voor de beoordeling, omdat deze in rechte vaststaat. [3] Verder neemt de minister nu wel aan dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen hem en zijn directe familieleden (zijn echtgenote, kinderen en kleinkinderen). Omdat een zwaar inreisverbod van toepassing is, is sprake van inmenging in het recht op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Volgens de minister is deze inmenging gerechtvaardigd in het belang van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten. Verder is in het nadeel van eiser betrokken dat hij in het verleden meerdere keren geen gehoor heeft gegeven aan de op hem rustende vertrekplicht en daarmee de Nederlandse wetgeving bewust naast zich heeft neergelegd. Daarbij weegt zeer zwaar dat eiser geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de misdrijven die hem worden verweten en deze nog steeds ontkent en bagatelliseert. Bij de belangenafweging heeft de minister de ‘guiding principles’ van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) [4] gehanteerd. Volgens de minister wegen eisers persoonlijke belangen niet op tegen het algemeen belang. De minister is daarom bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid van het beroep
5. De minister stelt zich primair op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat de beroepsgronden in onderhavige procedure vrijwel letterlijk een herhaling zijn van de gronden die gericht waren tegen de eerdere beschikking op bezwaar van 16 juli 2024. Er zijn volgens de minister derhalve geen specifieke gronden gericht tegen het nieuwe bestreden besluit. De rechtbank merkt op dat de minister terecht heeft gesteld dat de beroepsgronden in onderhavige procedure vrijwel gelijk zijn aan de beroepsgronden in de vorige beroepsprocedure, maar de rechtbank is van oordeel dat het beroep wel ontvankelijk is omdat het beroepschrift gronden bevat die zijn gericht tegen het bestreden besluit. De rechtbank zal de beroepsgronden daarom inhoudelijk beoordelen.
6. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van griffierecht. Gelet op het in beroep overgelegde formulier ziet de rechtbank aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft daarom geen griffierecht te betalen.
Omvang van het geding
7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat tussen eiser en zijn echtgenote, eiser en zijn meerderjarige kinderen, en eiser en zijn kleinkinderen. Ook is niet in geschil dat sprake is van inmenging, omdat op eiser een zwaar inreisverbod van toepassing is. Het geschil spitst zich toe op de belangenafweging.
Het oordeel van de rechtbank
8. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte geen verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM heeft verleend. Hij voert daartoe aan dat de minister een onevenredige belangenafweging heeft gemaakt waarbij onvoldoende gewicht is toegekend aan zijn intense familieleven met zijn naasten. Volgens eiser is het bevreemdend dat in het bestreden besluit niet is ingegaan op zijn lichamelijke en geestelijke zeer slechte situatie. Eiser is volledig afhankelijk van zijn naaste familieleden vanwege de door hen geleverde 24-uurs mantelzorg. Ter zitting heeft eiser verduidelijkt dat de mantelzorg vooral door één van zijn zoons wordt geleverd. Er heeft ten onrechte geen onderzoek door het Bureau Medisch Advies en geen toegankelijkheidsonderzoek naar de medische voorzieningen in Bosnië plaatsgevonden, aldus eiser. Verder voert eiser aan dat een te zwaar gewicht is toegekend aan zijn 1F-status. Eiser betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden. De minister geeft ook niet aan welke misdrijven van uitzonderlijk ernstige aard hij heeft gepleegd. Bovendien mag artikel 1F van het Vv volgens eiser onder gewijzigde omstandigheden niet meer aan hem worden tegengeworpen. Eiser wijst erop dat hij tijdens zijn verblijf in Nederland geen enkel misdrijf heeft gepleegd. De minister verwijst in het bestreden besluit naar Justitiële Documentatie. Het gaat hierbij om zaken die rechtstreeks verband hielden met zijn vreemdelingenrechtelijke status. Eiser werd bij overtredingen schuldig verklaard zonder straf. Eiser betwist dat hij een gevaar is voor de openbare orde.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in de belangenafweging heeft betrokken. Het besluit dat artikel 1F van het Vv op eiser van toepassing is, staat in rechte vast met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 27 december 2001. [5] Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 3 juni 2025 al uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat het gaat om zeer ernstige misdrijven en dat aan het tijdsverloop geen doorslaggevende betekenis toekomt. [6] Eiser heeft niet uitgelegd waarom de rechtbank hier in onderhavige procedure anders over zou moeten oordelen dan in voorgaande procedures. Het enkele voortschrijden van de tijd is onvoldoende om daar anders over te oordelen. De beroepsgrond slaagt niet.
10. De rechtbank overweegt dat de minister een belangenafweging heeft gemaakt aan de hand van de hiervoor genoemde ‘guiding principles’ van het EHRM. Het gaat daarbij om het belang van eiser om in Nederland zijn gezinsleven uit te oefenen, afgewogen tegen het algemeen belang van de Staat. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het belang van eiser bij voortzetting van het familieleven en zijn verblijf in Nederland, gelet op de 1F-status van eiser, de betrokkenheid bij en de ernst van de misdrijven die hem in dat verband worden verweten, en het langdurige onrechtmatige verblijf van eiser in Nederland. Zoals is overwogen in rechtsoverweging 9. komt aan het tijdsverloop sinds de misdrijven geen doorslaggevende betekenis toe. Ook kan de rechtbank het standpunt van de minister volgen dat de sterkte van zijn familiebanden de afwijzing van de verblijfsvergunning niet onevenredig maken. Vanaf 2001 had het voor de echtgenote van eiser namelijk duidelijk moeten zijn met welke misdrijven eiser in verband wordt gebracht en had zij moeten weten dat het niet mogelijk was om samen het gezinsleven voort te zetten. Eiser is er herhaaldelijk op gewezen dat zijn verblijf in Nederland onrechtmatig was. De kinderen van eiser zijn inmiddels allen meerderjarig en functioneren zelfstandig binnen hun eigen sociale en economische netwerken en de kleinkinderen worden in Nederland verzorgd en opgevoed door hun biologische ouders. Anders dan eiser stelt, is de medische situatie van eiser wel degelijk betrokken bij de beoordeling. Eiser heeft zijn standpunt dat zijn medische omstandigheden zeer ernstig zijn en dat hij volledig afhankelijk is van 24 uurs-mantelzorg verder niet onderbouwd. De minister hoefde geen nader onderzoek te laten verrichten door het BMA. Ten aanzien van de Justitiële Documentatie van eiser overweegt de rechtbank dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat strafrechtelijke veroordelingen in het nadeel van eiser zijn meegewogen. Wel heeft de minister in eisers nadeel kunnen meewegen dat op eiser gedurende een lange tijd een vertrekplicht rustte en dat hij ook na twee staandehoudingen vanwege zijn status als ongewenst vreemdeling, geen enkele inspanning heeft verricht om Nederland te verlaten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De minister hoefde geen vergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM aan eiser te verlenen. Voor een proceskostenvergoeding is bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

3.Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 27 december 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AI0136.
4.Zie onder meer het arrest van 2 augustus 2001, Boultif tegen Zwitserland, nr. 54273/00, en het arrest van 18 oktober 2006, Üner tegen Nederland, nr. 46410/99 ( [internetsite] ).
6.ECLI:NL:RBDHA:2025:11568, rechtsoverweging 9.2.