ECLI:NL:RBDHA:2026:18902
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens 1F-status en belangenafweging
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, welke door de minister is afgewezen vanwege zijn 1F-status en een zwaar inreisverbod. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de 1F-status van eiser vaststaat en dat de minister deze status terecht heeft betrokken bij de belangenafweging.
De minister heeft erkend dat er sprake is van familieleven tussen eiser en zijn echtgenote, kinderen en kleinkinderen, maar heeft de aanvraag afgewezen omdat het belang van de Nederlandse staat zwaarder weegt dan het belang van eiser bij voortzetting van het familieleven en verblijf in Nederland. Eiser voerde aan dat de belangenafweging onevenredig was en dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische situatie en mantelzorgbehoefte.
De rechtbank oordeelt dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken, waaronder de ernst van de misdrijven die aan eiser worden toegerekend, het langdurige onrechtmatige verblijf en het feit dat eiser geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn verleden. De medische situatie van eiser is betrokken, maar onvoldoende onderbouwd om nader onderzoek te rechtvaardigen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister geen verblijfsvergunning hoefde te verlenen. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM vanwege de 1F-status en het zwaarder wegen van het staatsbelang.